Voedselsystemen

VISIE

Jong Groen vertrekt, wanneer het aankomt op het beleid rond voedselsystemen, vanuit een werking die steunt op aandacht op het lokale, het ecologische en het diervriendelijke. Jong Groen heeft verschillende voorstellen om de boer beter te ondersteunen. We willen de toegang tot grond, kennis en kapitaal versterken. Tegelijkertijd creëren we de mogelijkheden voor de landbouwer om uit de zogenaamde agricultural squeeze te ontsnappen: de vraagprijs voor grondstoffen moet gereguleerd worden en de prijs die de consument voor landbouwproducten betaalt, moet fair zijn en dus rekening houden met arbeids- en milieukosten. We lanceren tevens voorstellen die moeten verzekeren dat de landbouwers een correct loon krijgen en dat zij ondersteuning krijgen vanuit de overheid om hun bedrijf duurzamer en ecologischer te maken.

Jong Groen heeft verschillende voorstellen om de boer beter te ondersteunen.

Jong Groen moedigt ook rechtstreekse verkoop tussen boer en consument aan en vraagt om supermarkten te stimuleren om lokale en duurzame producten te verkopen. Via labels en uniforme etikettering moet de consument een duidelijker zicht hebben op wat hij eet. We zetten ons teven sterk af tegen voedselverspilling en pleiten voor zo weinig mogelijk verpakkingen rond voedsel. Ook vegetarische en veganistische maaltijden op restaurant of andere eetgelegenheden staan op ons programma.

We brengen het landbouwbeleid ook tot bij de burgers. Overheden moeten lokale producten aanmoedigen door bv. de btw op die producten te verlagen en door lokale kruideniers meer te ondersteunen. We geven de mensen ook zelf de kans om mee te werken door hen bv. de mogelijkheid te geven om zelf ongebruikte grond in te schakelen in het voedselsysteem. Lokale overheden zorgen er tevens voor dat mensen snel en gemakkelijk aan lokale en duurzame producten kunnen geraken door bv. een lokale webshop op te starten en ze neemt natuurlijk zelf ook een voorbeeldrol op wanneer het aankomt op de aankoop van voeding.


ALLE STANDPUNTEN VAN JONG GROEN BINNEN HET THEMA 'VOEDSELSYSTEMEN':

  1. Het landbouwsysteem en bijbehorende subsidies moet afgestemd zijn op het ecologisch draagvlak van bodem en natuur. Subsidies dienen daarbij sturend te worden ingezet.

    Voedselproductie die niet gedragen kan worden door de bodem zal op termijn immers leiden tot bodemuitputting en tekorten. Een landbouwsysteem dat geen rekening houdt met de ecologische grenzen van haar eigen model zal op termijn leiden tot een kostelijk en moeilijk omkeerbaar fiasco waar noch de boer, noch de consument beter van wordt. Alle ontwikkelingen richting duurzame landbouw mogen in absolute cijfers niet ten koste gaan van natuur en natuurgebieden.

  2. Het Vlaamse landbouwbeleid moet zich meer gaan toespitsen op zelfvoorzienende voedselproductie. Het productieproces moet met een lage energie-input functioneren en moet rekening houden met de invloed die gewassen uitoefenen op de bodem.

  3. De landbouwgrond die in Vlaanderen aanwezig is, moeten we inzetten om zo veel mogelijk in onze eigen behoeften te voorzien. Dit is in de eerste plaats voedsel. Uiteraard moet deze voedselproductie gebeuren zonder al te afhankelijk te zijn van extra toevoegingen en zonder de bodem op lange termijn te beschadigen.

  4. De overheid stimuleert de transitie van landbouw die dierlijke eiwitten produceert naar een voedselsysteem gebaseerd op plantaardige en lokale eiwitbronnen.

    De overheid moet het voor boeren aantrekkelijker maken om een bedrijf op te starten of de transitie te maken naar een bedrijf dat plantaardige, en geen dierlijke eiwitten produceert. Dit kan gestimuleerd worden door een gericht fiscaal beleid. Dierlijke eiwitten hebben een groter grondbeslag en vergen veel meer natuurlijke middelen dan plantaardige. Door in te zetten op méér plantaardig en méér lokaal, kiezen we voor minder milieuvervuiling.

  5. Na jarenlange import van goedkope soja-producten, investeert de EU terug meer in de veredeling, teelt en optimalisatie van eigen eiwithoudende gewassen.

    Eiwithoudende gewassen zijn cruciaal als voedsel voor landbouwdieren en in een vegetarisch dieet. De import ervan legt een te grote druk op het milieu. Door in te zetten op lokale gewassen met een meer optimaler eiwitgehalte zoals erwten, lupine, bonen en koolzaad, kunnen we die druk wegnemen. Bovendien is strategische teeltvariatie een verrijking voor de bodem. Nieuwe, lokale en duurzame samenwerkingsverbanden tussen veehouders en akkerbouwers moeten onderzocht en vergemakkelijkt worden, alsook de mogelijkheid om lokaal kringlopen* te sluiten. Wat voor de ene boer afval is, kan voor de andere boer heel waardevol zijn. Het hergebruiken van lokale reststromen in de landbouwsector leidt tot een hogere efficiëntie en een lagere milieu impact. Ook een gezamenlijk grondbeheer en materiaalgebruik leiden tot efficiëntie.

  6. Organisch afval is vaak ideaal als plantenbemesting of veevoeder. We moeten dit onderzoeken, in kaart brengen, en waar mogelijk benutten.

    Organisch afval dat niet kan worden gebruikt in de landbouw dient maximaal te worden ingezet in andere sectoren, zoals energie (biogas). In de eerste plaats moet restafval, productieafval, e.d. zo veel mogelijk vermeden worden. Wat er is, moeten we opnieuw inzetten in de voedselproductie, zonder dat dit de volksgezondheid en het milieu in gevaar brengt.

  7. Landbouw moet worden bedreven met respect voor het welzijn van de dieren. Natuurlijk gedrag van dieren moet daarbij de leidraad zijn en moet mogelijk blijven.

    Vandaag zitten dieren soms opgesloten in veel te kleine stallen, met te weinig bewegingsruimte, vaak zonder ooit het daglicht te zien. Dat zijn omstandigheden waar we verbetering in willen brengen. Jong Groen pleit voor quota op het aantal dieren dat men per oppervlakte landbouwgebied in een bedrijf kan houden. Deze quota zijn zodanig opgesteld dat ze de leefbaarheid van de omgeving garanderen en de lokale productie van veeteeltgewassen stimuleert. De veestapelquota worden ingevoerd in een Europese context en zijn gebaseerd op een minimale hoeveelheid leefomgeving per dier op het landbouwbedrijf zelf, de mate waarin het landbouwbedrijf zelf of de lokale keten kan voorzien in de eigen voeding van de dieren en de mate waarin een landbouwbedrijf de milieu-impact, zoals mestafzet, zelf kan opvangen.

  8. Het onder dwang voederen van dieren ter bevordering van vleesproductie, zoals foie gras, is een vorm van dierenmishandeling en wordt aldus verboden en gepast bestraft.

    Het brutaal mishandelen van dieren is een ethisch onverantwoorde praktijk.

  9. Zaden en levende organismen zijn het intellectueel eigendom van de maatschappij en kunnen daarom niet geprivatiseerd worden.

    De privatisering van de bouwstenen van het leven (zoals zaden, DNA, rassen) leidt tot machtsconcentraties en marktverstoringen die op termijn nadelig zijn voor mens, dier en milieu. Patenten op DNA en genetische kenmerken kunnen dus niet worden gebruikt door private bedrijven om een monopolie positie op te bouwen binnen de markt. Het onderzoek naar nieuwe doorbraken blijven we stimuleren vanuit de overheid. Dit betekent niet dat bepaalde pistes op vlak van veredeling op voorhand afgeschoten worden. Zo moet er de kans gegeven worden om in te zetten op GGO’s (genetisch gemodificeerde organismen) indien onomstootbaar aangetoond is dat deze geen negatief effect hebben op de gezondheid van mens en dier.

  10. Landbouwbedrijven die naast voedselproductie ook een echte bijdrage leveren aan landschapsonderhoud en natuurbeheer, moeten hiervoor correct beloond worden.

    Bepaalde landschappen zoals voedselbossen of parken kunnen gebruikt worden voor voedselproductie en tegelijkertijd hun recreatieve waarde behouden. Veel van de authentieke Vlaamse natuurlandschappen hebben hun wortels in extensieve landbouw. Deze boerennatuur is een zegen voor de biodiversiteit in Vlaanderen en moet, net als de klassieke natuurbeheersystemen, beloond worden. Het leven van vele soorten is immers rechtstreeks gelinkt aan extensieve landbouwactiviteiten: de korenbloem, klaproos en de wilde margriet bloeien bij uitstek in onbespoten akkers. Andere natuurlandschappen leveren dan weer diensten zoals het in stand houden van een gezonde bodem en de opslag van koolstof in bodem en gewassen. Deze eigenschappen zijn belangrijk en moeten ook correct gewaardeerd worden.

  11. Met het oog op biodiversiteitsbehoud en het evenwicht met de natuur kiest de overheid voor het stimuleren van en investeren in agro-ecologische landbouwsystemen. Landbouwers die overschakelen naar en startende boeren die instappen in dit systeem worden financieel bevoordeeld.

    Met het oog op de uitdagingen van deze tijd moeten we kiezen voor economisch duurzame systemen die veerkracht tonen met betrekking tot klimaatverandering. Die systemen moeten ook in evenwicht zijn met de lokale omgeving en bodem, waarbij multifunctionaliteit wordt gerespecteerd. Verder garandeert zo’n systeem ook voedselsoevereiniteit en wordt de sociale, economische en politieke dimensie van duurzaamheid in landbouw erkend. Dit is vooral van belang in overgangsgebieden tussen landbouwgronden en natuurgebieden, waar we op deze manier een soort buffer kunnen creëren.

  12. Algemene vergroeningsmaatregelen zoals groenbedekkers komen in aanmerking voor een premie als het ecologisch effect aangetoond is.

    De huidige reglementering rond vergroeningsmaatregelen biedt geen garantie op het verhogen/versterken/herstel van de biodiversiteit in landbouwgebied. Vandaag wordt dit grotendeels (85% in 2015, ILVO) ingevuld met de inzaai van groenbedekkersmengsels, met als voornaamste effecten het vastleggen van nutriënten in de bodem, bevorderen van bodemstructuur en bodemerosie tegengaan. Biodiversiteit schiet hier echter bij in. De huidige focus van de vergroeningsmaatregelen op de meest eenvoudig te verkrijgen subsidie (d.i. groenbedekkers) moet verschuiven naar een meer ecologisch evenwichtig landbouwbeleid.

  13. Jong Groen wil bepaalde vormen van landbouw, die bijdragen aan lokaal biodiversiteitsbehoud en landschapsontwikkeling, erkennen als kwalitatief natuurelement. Zo kan men bij de bepaling van nieuwe groenzones ruimte creëren in de structuurplannen. Dit mag echter nooit ten koste gaan van volwaardige, kwalitatieve natuur.

  14. Het is noodzakelijk dat de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) de gezondheid van de bodem en de bodemvruchtbaarheid bewaakt, en van daaruit een integraal bodembeleid uitstippelt in samenspraak met de lokale landbouwers.

    Eerder dan te vertrekken vanuit een bestraffend en onderdrukkend beleid dat zich focust op een aantal labotechnische kenmerken van de bodem, is er nood aan een geïntegreerde aanpak die rekening houdt met alle kenmerken van de Vlaamse bodem (bemesting, erosie, uitputting, bodembiodiversiteit). Dat in tegenstelling met de huidige plannen (MAP5,...) die elk voor zich focussen op één specifiek onderdeel van de bodem.

    De huidige analyses zijn enkel chemisch en houden geen rekening met zowel fysische (dichtheid van de bodem, vochtigheid, …) als biologische kenmerken (wormen, kevers, schimmels, planten-aanwezigheid …).
    Nochtans zijn dat wel kenmerken van een gezonde, vruchtbare bodem. Een geïntegreerd beleid dat al die parameters meeneemt in haar maatregelen zal dan ook tot een betere bodem leiden.

  15. Het verbod op antibiotica wordt uitgebreid naar de gehele dierenteelt (met inbegrip van de kippenindustrie) en bij schending gepast bestraft. Antibioticagebruik kan enkel dier per dier voorgeschreven worden door een erkende dierenarts. Enkel indien er sprake is van een epidemie kan een grote veestapel tezelfdertijd behandeld worden.

    Als gevolg van overconsumptie van antibiotica worden steeds meer bacteriën resistent tegen antibiotica, terwijl de ontwikkeling van nieuwe antibiotica enorm moeizaam verloopt. Er zijn zeer eenvoudige en diervriendelijke maatregelen om preventief gebruik van antibiotica overbodig te maken: meer ruimte voor dieren, betere hygiëne en kleinere groepen en dieren die er ongezond uitzien van de groep scheiden.

  16. Producten zoals sommige herbiciden, waarvan de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aangeeft dat ze mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid of die (waarschijnlijk) kankerverwekkend, worden verboden. Dat in overeenstemming met het voorzorgsprincipe.

    Vandaag zitten we in de situatie dat de Europese Commissie producten, die door de WHO zijn bestempeld als mogelijk schadelijk voor de gezondheid, toch goedkeurt onder druk van verschillende lobby’s. Dat moet stoppen.

  17. De negatieve invloed van landbouwsystemen op het klimaat moet zo vroeg mogelijk in de prijs verrekend worden. Dat willen we bereiken door middel van een milieuheffing.

    Sommige landbouwmodellen belasten het milieu meer dan andere, en dus moeten we de maatschappelijke kost die dat met zich meebrengt compenseren. Dat geldt even goed voor voedselproducten die men invoert vanuit verre streken.

  18. De positieve bijdrage die grondgebonden landbouw levert in het verminderen van broeikasgassen en natuurbehoud moet beloond worden door hen een subsidie toe te kennen.

    Landbouwers die er in slagen om zelfstandig het volledige landbouwproces af te handelen op hun eigen gronden, moeten daarvoor beloond worden. Dat betekent dus dat zij zelf hun mest verwerken, de grond gebruiken als basis voor de plantenteelt (in tegenstelling tot hydrocultuur) en zelf de nodige voeders kweken. Dat kan eventueel gebeuren in samenwerking met andere landbouwers uit de buurt. Die manier van landbouw brengt minder negatieve effecten met zich mee en dus minder maatschappelijke kosten.

  19. Een nieuwe pachtwetgeving moet zowel met de noden van de landbouwers als die van de grondeigenaars rekening houden. (Startende) landbouwers moeten voorrang krijgen op particulieren bij het pachten of huren van landbouwgrond. De omzetting van landbouwgrond naar andere bestemmingen wordt strenger gecontroleerd.

  20. Andere financieringsmodellen voor grond zoals coöperatieve eigendomsstructuren voor landbouwgrond worden aangemoedigd en gestimuleerd door de overheid op een administratief eenvoudige manier.

  21. Bij verkoop van de landbouwgronden in eigendom van de overheid wordt die bij voorkeur verkocht aan een actor met in hoofdzaak maatschappelijke doelen (zoals bijvoorbeeld coöperatie De Landgenoten of vzw Voedselteams) die duurzame voedselproductie op de gronden garandeert.

  22. Landbouwers die hun activiteiten op een duurzame wijze willen verbreden, moeten daartoe alle kansen krijgen. Verbredingsactiviteiten met een grote maatschappelijke rol (zoals zorgboerderijen of beheersovereenkomsten om natuur te bevorderen) worden vanuit de overheid voldoende financieel ondersteund.

  23. Indien een landbouwbedrijf wordt overgenomen door integratoren* om de schulden te dekken, verdient een landbouwer een loon dat hoog genoeg is om zowel zijn schulden af te bouwen als te voorzien in een menswaardig inkomen.

  24. Een overheidsinstantie houdt toezicht op de markt van de grondstoffen en voorkomt prijsafspraken en monopolies. Leveranciers van grondstoffen vragen een eerlijke prijs voor hun waar en geven landbouwers voldoende tijd om hun rekeningen te betalen.

  25. Om een eerlijk loon voor alle landbouwers te garanderen, worden gerichte stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat verdere spelers in de voedselketen een eerlijke prijs betalen aan de landbouwer. Het loon van elke landbouwer moet evenredig zijn met het werk en de middelen die hij in zijn producten investeert. Een voorbeeld van een maatregel die daaraan kan bijdragen, is een minimumprijs voor een liter melk.

  26. Vlaamse boeren kunnen aanspraak maken op een omschakelingsverzekering. Die verzekering wordt toegekend aan landbouwers die hun landbouwbedrijf willen omvormen naar een duurzaam landbouwbedrijf. Die omschakelingsverzekering zorgt er voor dat, mits boeren zich houden aan het bedrijfsplan, ze niet failliet kunnen gaan gedurende de eerste drie jaar van opstart.

    Overschakelen naar een duurzaam landbouwbedrijf is een risico. De eerste jaren zijn vaak verlieslatend. Landbouwers stellen de omschakeling vaak uit omwille van het risico. De omschakelingsverzekering biedt een antwoord op die verzuchting.

  27. De overheid stelt renteloze leningen ter beschikking aan boeren die zich verbinden tot het uitbouwen van een duurzaam landbouwbedrijf.

    De omschakeling of opstart van een duurzaam landbouwbedrijf kost geld. De renteloze leningen geven de boeren een duwtje in de rug.

  28. Vlaamse boeren worden aangemoedigd om een bedrijfseconomische boekhouding bij te houden. Ze kunnen daarbij een beroep doen op ondersteuning van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LNM) om de administratieve last op te nemen. Ook andere vakorganisaties kunnen dergelijke ondersteuning bieden.

    Boeren zijn op dit moment vrijgesteld van een bedrijfseconomische boekhouding. Daardoor zijn boeren echter niet altijd op de hoogte van de financiële situatie van hun landbouwbedrijf. Een duidelijk zicht op de boekhoudkundige situatie van landbouwbedrijven maakt het mogelijk om tijdig de koers van het landbouwbedrijf bij te sturen indien nodig en verder uit te bouwen op een financieel duurzame manier.

  29. Het Departement Landbouw en Visserij ontwikkelt zich verder tot een dienstverleningscentrum waar boeren via eenvoudige procedures terecht kunnen met al hun administratieve en wettelijke vragen. Het centrum biedt proactieve dienstverlening aan opstartende landbouwers.

  30. De overheid verbindt er zich toe om de verspreiding van accurate kennis (I) onder boeren te stimuleren. Die ondersteunt actief organisaties die bijdragen aan een verdere verspreiding van die kennis onder landbouwers en houdt daarbij rekening met de financiële capaciteiten van de organisaties die ze ondersteunt (II).

    Hierbij houdt ze rekening met de volgende principes: 1. de kennis moet bijdragen aan de verdere ontwikkeling van duurzame landbouw, 2. landbouwtechnieken moeten voldoende getest zijn op veiligheid voor mens en milieu, 3. betaalbaar zijn voor iedere landbouwer en 4. democratisch zijn (III).

    Enkel op basis van accurate kennis kunnen boeren onafhankelijk en autonoom een gewenste koers van hun landbouwbedrijf bepalen. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om toegang tot die kennis maximaal te faciliteren en ervoor te zorgen dat niet enkel kapitaalkrachtige vertegenwoordigers hun weg vinden naar de landbouwer.

    (I) Over o.a. de laatste landbouwtechnieken, bedrijfsorganisatorische inzichten, wetgevend kader, verbeterde distributievormen, etc. (II) Kleine organisaties die voldoen aan de opgesomde principes maar niet de middelen hebben om boeren te bereiken, krijgen meer middelen dan grotere bedrijven met veel middelen. (III) Kennis in handen van enkele bedrijven is niet democratisch omdat ze niet langer onderworpen kunnen worden aan democratische controle door de schaal waarop ze opereren.

  31. Jaarlijks kunnen landbouwers aanspraak maken op de terugbetaling van twee individuele vraag gestuurde bedrijfsbezoeken van een door de overheid erkend centrum voor bedrijfsbegeleiding. Die centra voor bedrijfsbegeleiding dienen de principes van duurzame landbouw te eerbiedigen.

  32. Er is nood aan verdere sensibilisering en dienstverlening met betrekking tot welzijnsproblematieken die frequent voorkomen bij landbouwfamilies (o.a. depressie, partnerproblematiek etc.). De overheid verbindt zich er daarom toe om organisaties, zoals ‘Boeren op een Kruispunt’, verder te ondersteunen zodat ze hun sensibiliserende en dienstverlenende rol verder kunnen vervullen.

    Welzijnsproblematieken zijn onder boeren vaak een taboe. Organisaties zoals ‘Boeren op een Kruispunt’ zetten zich in om die problemen bespreekbaar te maken en zoeken samen met de landbouwers naar oplossingen voor de problemen.

  33. Iedere landbouwer wordt automatisch aangesloten bij een landbouwbedrijfshulp, aan de door de overheid vastgelegde tarieven (inclusief sociaal tarief). Wanneer een landbouwer ziek wordt, kan hij 14 zonder meer kost aanspraak maken op bedrijfsondersteuning die de voortzetting van de activiteiten garandeert gedurende de periode van ziekte.

    Landbouw is in België veelal een familieaangelegenheid. Er is bij ziekte dan ook vaak geen onmiddellijke vervanging die het werk van de landbouwer kan opvangen. Landbouwbedrijfshulp biedt daar een oplossing. Dat zijn opgeleide boeren die inspringen op boerderijen waar nodig.

  34. Is de landbouwer toe aan vakantie? Dan kan de bedrijfshulp worden ingeroepen voor een periode van 14 dagen/jaar. Voor ondersteuning gedurende een drukke periode wordt een uurloon aangerekend, maar is er de mogelijkheid voor een sociaal tarief.

  35. We stellen een ‘Boeren Verdienen Beter’-heffing voor. Die heffing wordt aangerekend aan supermarktketens met een Belgisch marktaandeel in landbouwproducten hoger dan 5%.

    Het tarief dat iedere supermarktketen moet betalen, wordt gewogen a.d.h.v. de volgende indicatoren: 1. Het marktaandeel (I), 2. de gemiddelde prijs die de supermarktketen betaalt aan de boer voor vlees, zuivel en groenten ten opzichte van de andere spelers met een marktaandeel in landbouwproducten boven de 5% (II), 3. de mate waarin de supermarktketen lokaal en seizoensgebonden vlees, zuivel en groenten aankoopt. Die heffing zal de Belgische overheid in staat stellen jaarlijks 50 miljoen euro te investeren in maatregelen zoals beschreven in deze tekst die de boerenstiel in eigen land ondersteunen.

    Naast het ondersteunen van onze boerenstiel, stimuleert de heffing een eerlijk en duurzaam aankoopbeleid van de supermarkten. (I) Grotere ketens dragen meer bij dan kleine ketens; (II) De cijfers worden jaarlijks door de overheid herrekend. Supermarktketens die systematisch weinig betalen aan de boeren betalen relatief meer heffing dan ketens die een betere prijs betalen aan boeren.

  36. Jong Groen pleit voor de invoer van een verspiltaks voor het tegengaan van voedseloverschotten. Die verspiltaks kan vermeden worden door de voedseloverschotten opnieuw in te schakelen in het voedselsysteem. Met de opbrengst van de verspiltaks voeren we een fiscale stimulus in voor de voedselbanken.

    Men voert een verspiltaks in voor supermarkten. Dit zal supermarkten stimuleren om voedseloverschotten tegen te gaan. Tevens moet men supermarkten stimuleren om, indien ze toch nog voedseloverschotten hebben, nauwer samen te werken met voedselbanken.

  37. Alle initiatieven die een duurzame kortere lokale keten tussen landbouwer en consument bevorderen, moeten gestimuleerd en gefaciliteerd worden door de overheid. Kortere ketens bieden de landbouwers de kans op een eerlijker inkomen. Meer in het bijzonder pleit Jong Groen voor een vereenvoudigde administratie, zowel in opstart als in bedrijf. Ook willen wij dat de overheid gepaste begeleiding voorziet voor die startups.

    Korte lokale ketens stimuleren de lokale economie en verminderen de voedselkilometers. Korte keten* kan verschillende vormen aannemen: hoevewinkels, Community Supported Agriculture (CSA), boerenmarkten, automaten, …

  38. België heeft een sterke voedselverwerkende industrie, maar die is niet echt duurzaam. We willen de sterke sector behouden en versterken door hem te verduurzamen.

    Duurzame, lokale voedselverwerkende industrie, zoals bijvoorbeeld de productie van vegetarische vleesvervangers, wordt door de overheid gestimuleerd en ondersteund. Vleesvervangers dienen aantrekkelijker te zijn dan vlees en vis. De industrietak kan rekenen op dezelfde voordelen als de fiscale voordelen op duurzame landbouwproducten.

    Ons land is een sterke speler binnen de voedselverwerkende industrie. Die expertise verder inzetten richting een transitie naar de verwerking van duurzame en lokale landbouwproducten* verzekert de toekomst en tewerkstellingskansen binnen de sector. Het is niet logisch dat voeding die hier gekweekt wordt, verwerkt wordt in een ander land om dan terug naar hier te worden getransporteerd.

  39. Om de afvalhoop te verkleinen, worden financiële voordelen toegekend aan winkels die verpakking loos voedsel verkopen en aan voedselproducenten of -distributeurs die ervoor kiezen hun producten niet te verpakken, of afbreekbare/herbruikbare verpakkingen te gebruiken.

    Het soms erg verregaande verpakken van voedsel moet tegengegaan worden om zo de afvalberg gevoelig te verkleinen. Bedrijven en producenten die daaraan meewerken, moeten ondersteund worden.

  40. Door het Agentschap Ondernemen wordt een studie opgezet over hoe (lokaal en duurzaam) geteelde producten via onlineplatformen of e-commerce verdeeld en besteld kunnen worden.

  41. Door het Agentschap Ondernemen wordt een studie opgezet over hoe (lokaal en duurzaam) geteelde producten verdeeld kunnen worden naar locaties waar er veel tewerkstelling is, naar locaties die liggen aan vervoersknooppunten van woon-werkroutes, of aan huisleveringen ’s avonds of in het weekend.

  42. Jong Groen pleit voor de verdere uitbouw van slimme distributiehubs over heel Vlaanderen.

    Slimme stadsdistributie gaat uit van een systeem waarbij verschillende (kleine) winkels worden bevoorraad door transportmiddelen met geen tot een beperkte milieu- en verkeersveiligheidsimpact (bv. een Vélocargo) die geladen wordt aan de periferie van de stad. Die manier van transporteren maakt het transport in steden niet alleen efficiënter, het vergroot ook de leefbaarheid in onze steden.

  43. De overheid moedigt de uitbouw van lokale verkooppunten waar landbouwers rechtstreeks hun producten kunnen verkopen aan.

    Niet elke landbouwer heeft de mogelijkheid om een eigen hoevewinkel te openen. Daarom pleit Jong Groen voor het verder uitbouwen van lokale verkooppunten waar de landbouwer zijn producten rechtstreeks aan de consument kan verkopen. De landbouwer krijgt een betere prijs voor zijn product, maar ook de afgelegde voedselkilometers worden ingekort.

  44. De Belgische wetgeving inzake dierentransport wordt gelijkgetrokken met de Europese wetgeving. Verschillende uitzonderingen die aan België werden verleend vervallen hiermee. Eenzelfde oefening voor alle andere Europese lidstaten wordt vooropgesteld.

  45. Jong Groen stelt vast dat er alvast op korte tot middellange termijn nood zal zijn aan transport over langere afstanden. Om de milieu impact hiervan te minimaliseren, wil Jong Groen inzetten op binnenvaart en spoorverkeer, door beide netten beter op elkaar en op de vraag van de markt af te stemmen. Specifiek voor voedsel kan dit bijvoorbeeld door het uitbouwen van koelinfrastructuur in deze transportmodi.

  46. De overheid moet toezien op correcte en voldoende informatie zodat de consument zich een realistisch beeld van het product kan vormen. Voedselproductie en -consumptie worden in de lespakketten en leerdoelstellingen van lagere en middelbare scholen geïntegreerd.

    Scholen moeten de middelen krijgen voor de aanleg van moestuinen op het schooldomein of voor samenwerking met een lokale landbouwer*. Bewustwording begint bij het onderwijs, daarom moeten thema’s rond ons voedselsysteem meer plaats krijgen in het onderwijs

  47. De overheid steunt diverse informatie- en sensibiliseringscampagnes rond duurzame voedselsystemen.

    Dit kan gaan over heel concrete projecten zoals het stimuleren van stadslandbouw, de oprichting van een infopunt rond duurzaam voedsel produceren, seizoensgebonden consumeren en bredere info en sensibilisering rond een duurzaam voedselsysteem.

  48. De belangrijkste productinformatie moet op de voorkant van de verpakking staan, in grote letters en begrijpelijke taal. Alle voedselproducenten moeten dit op dezelfde manier vermelden.

    De etikettering op voedingsproducten moet aan de volgende eisen voldoen:

    • Leesbare letters

    • De werkelijke hoeveelheid van een aangeprezen product vermelden

    • Land of regio van afkomst vermelden van alle ingrediënten aanwezig in het product

    • Transparantie over dierlijke ingrediënten en veehouderijsystemen

    • Heldere informatie over de voedingswaarden

    • Heldere aanduiding van aroma’s en additieven

    • Transparantie inzake productiemethode

    • Claims moeten wetenschappelijk gefundeerd zijn

    • Het aangeven van de CO2-uitstoot van een product door een lettercode

  49. Via een kwaliteitslabel dat wordt uitgevaardigd door de overheid worden consumenten gestimuleerd om meer lokale, duurzame en seizoensgebonden producten te kopen. De overheid voert een beleid dat de aankoop van lokale, duurzame en seizoensgebonden producten promoot.

  50. De overheid ondersteunt het tot stand komen van participatieve garantiesystemen.

    Participatieve Garantie Systemen gaan over kennisuitwisseling tussen boeren en worden gebruikt door voedselnetwerken wereldwijd. Dit garantiesysteem formaliseert de onderlinge uitwisseling tussen boeren. Ze worden vaak aanvullend gezien aan labels en certificaten van de biologische landbouw. Ze laten toe om producenten te identificeren die in overeenstemming werken met de gezamenlijk duurzame waarden in deze voedselnetwerken. Hiervoor worden bedrijfsbezoeken georganiseerd met deelname van collega producenten, klanten en/of andere betrokkenen. De garantie wordt gegeven op basis van de georganiseerde kennisuitwisseling via een vragenlijst en een bedrijfsbezoek.

  51. Het moet mogelijk zijn voor burgers om tijdelijk ongebruikte grond (restruimte) in te schakelen in het voedselsysteem.

  52. Jong Groen pleit voor de verlaging van het Btw-tarief voor lokale producten uit duurzame landbouw.

    Deze lagere btw-tarieven maken lokale producten aantrekkelijker voor de consument en bezorgen de landbouwers een eerlijker inkomen.

  53. Jong Groen pleit voor de verlaging van het Btw-tarief voor producten die als ‘gezond’ worden bestempeld door FOD Volksgezondheid en WHO (World Health Organization).

    Naast een Btw-verlaging voor duurzame lokale producten ook een Btw-verlaging voor producten die als universeel ‘gezond’ bestempeld worden op basis van wetenschappelijk onderzoek en bekrachtigd door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid en de WHO.

  54. De overheid ondersteunt sociale kruideniers en gelijkaardige organisaties.

    De doelstelling van sociale kruideniers is tweedelig. Enerzijds staan zij in voor het aanbieden van kwaliteitsvoeding en basisproducten voor wie het financieel moeilijk heeft. Anderzijds beogen sociale kruideniers financieel zwakkeren uit hun isolement te halen. Zo zijn ze ook in staat om arbeidstrajecten in de vorm van vrijwilligerswerk, sociale tewerkstelling en werkervaringsprojecten aan te bieden. Deze initiatieven streven op termijn naar een volwaardige sociale integratie.

  55. Om de toegang tot lokaal en biologisch voedsel te vergemakkelijken, moedigen we lokale overheden aan om de opbouw van een webshop met lokale duurzame (landbouw)producten te faciliteren.

  56. De EU zet in op landbouwbedrijven op maat van de landbouwer. Het beleid mag schaalvergroting niet bevoordelen. De directe steun wordt gelimiteerd tot een maximum van €25 000 per landbouwbedrijf.

  57. De Europese Commissie ziet er op toe dat de toepassing van het GLB door de lidstaten niet uitmondt in regelgeving die kleine tot middelgrote bedrijven benadeelt.

    Ondanks recentelijke verbeteringen, bevoordeelt het GLB nog steeds grote landbouwbedrijven. De implementaties van de lidstaten leggen terecht erg strenge beperkingen op, maar brengen ook grote administratie en/of investeringen met zich mee. Dit zorgt er voor dat enkel grote bedrijven mee kunnen draaien, omdat de kosten voor kleine bedrijven niet te dragen zijn.

  58. De EU neemt het voortouw in de transitie naar een ecologische landbouw. Het beleid houdt rekening met en stimuleert duurzame, biologische en agro-ecologische landbouwtechnieken.

    Het nieuwe GLB kent reeds specifieke steun voor biolandbouw. Maar de meerderheid van de subsidies zijn nog steeds afgestemd op de gebruiken en de noden van de conventionele landbouw*. Ook de Europese reglementering houdt nog al te vaak geen rekening met de specifieke noden en diverse landbouwtechnieken van de biolandbouw en de agro-ecologie.

  59. Bij de autonome inkleuring van het GLB verandert Vlaanderen zijn geweer van schouder. Het gewest legt de nadruk niet meer op een intensieve, exportgerichte veeteelt maar eerder op bio landbouw en agro ecologie.

    De voorbije decennia gaf Vlaanderen extra steun aan de vleessector en stimuleerde ze de vleesexport. Dit is geen toekomstgericht beleid. Jong Groen pleit voor een transitie van de Vlaamse vleesindustrie naar een duurzame lokale landbouw*. Dit gebeurt in samenspraak met en met oog voor de Vlaamse veetelers. Zij mogen niet het slachtoffer zijn van het jarenlange oogkleppenbeleid.

  60. De overheid draagt zelf de kosten van controles en labeling.

    Momenteel betalen landbouwers, verwerkers, handelaars en verdelers van bio-producten zelf voor hun certificering. Ook de kosten van bodemstalen in het kader van het Vlaamse mestactieplan worden gedragen door de landbouwer. Zij vormen een onrechtvaardige meer kost, zeker voor kleine bedrijven.

  61. Geen TTIP en andere gelijkaardige vrijhandelsverdragen onder de huidige vorm.

    We willen geen nodeloze ontmanteling van de reglementering van onze voedseleconomie. Vele van onze wetten staan onder discussie in de TTIP-onderhandelingen, het vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten. En deze liberalisering gebeurt zonder open democratische controle. Jong Groen plaatst het belang van voedselsoevereiniteit boven de vraag naar regulering op maat van multinationals.

  62. Landbouw moet uit het takenpakket van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Vlaanderen en België ijveren er voor dat de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties het politieke mandaat krijgt om de internationale voedselmarkt te reguleren. Deze laatste moet dan de speculatie op voedsel verbieden en de kwetsbare landbouweconomieën van ontwikkelingslanden beschermen.

    Momenteel beheerst de Wereldhandelsorganisatie* de internationale voedselmarkt. Haar algemene liberalisering van de markt heeft desastreuze gevolgen voor de zwakkere economische spelers, vaak in het zuiden. De voedselmarkt moet dringend terug gepolitiseerd worden.

  63. De overheid consulteert niet enkel de landbouwverenigingen bij het debat over nieuw landbouwbeleid, maar ook andere ngo’s en burgerverenigingen die werken rond voedselsystemen.

    Momenteel spelen sectororganisaties (Boerenbond, Algemene Boerensyndicaat, Bioforum…) een belangrijke rol bij de implementatie en vormgeving van nieuwe wetgeving. Dit is belangrijk. Maar de nadruk ligt hierdoor zeer sterk op de economische en sociale noden van de sector, en veel minder op de economische en ecologische belangen van de ganse samenleving. Ook organisaties die werken rond de brede ecologische en sociale impact van landbouwbeleid kunnen een grote toegevoegde waarde bieden bij nieuwe besluitvorming.

  64. De overheid stimuleert een divers landschap voor de landbouwpers, landbouwconsulenten, investeringsbanken en opleidingscentra.

    Momenteel kent Boerenbond een sterke monopolie positie in het landbouwlandschap. Vanwege haar grote omvang creëert dit vaak belangenconflicten die niet altijd voordelig zijn voor de landbouwers zelf. Dit neemt niet weg dat een sterk middenveld belangrijk is en dat landbouworganisaties een belangrijke rol moeten krijgen bij de beleidsvoering.

  65. De overheid creëert een eenvoudig kader voor coöperatieve, lokale werkvormen.

    Vandaag stellen we vast dat de verschillende vormen die de wet voorziet, nodeloos complex zijn en veel administratieve rompslomp met zich meebrengen. Coöperaties verhogen het democratische karakter van de economie. Producenten, verwerkers, verdelers en handelaars van voeding krijgen zo terug meer vat op hun activiteiten. Coöperaties versterken niet alleen de autonomie voor de actoren zelf, maar ook het sociale en ecologische karakter van de economie.

  66. De overheid neemt een voorbeeldrol op door in openbare aanbestedingen steeds te opteren voor lokaal en duurzaam geproduceerde voeding.

    De restaurants en cafetaria van overheidsgebouwen serveren duurzame, lokale en/of fairtrade voeding. Ook de catering van ziekenhuizen en scholen bevoordeelt lokale, duurzaam, fairtrade geproduceerde voeding. Verder worden bij deze cafetaria’s minstens één vegi-dag per week georganiseerd waarop enkel vegetarische voeding beschikbaar is.

  67. In de voedingssector zet de overheid meer in op onderzoek en opleidingen met een grote maatschappelijke meerwaarde: o.a. op biolandbouw, agro-ecologie, ecologische distributie* en de sociale aspecten van de voedingsindustrie.

    Publieke instellingen mogen niet enkel oog hebben voor economische verbeteringen, maar ook voor de sociale en ecologische aspecten van technologieën en technieken. Het is betreurenswaardig dat de huidige publieke landbouwopleidingen slechts weinig aandacht besteden aan biolandbouw.

  68. Het Vlaamse Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) neemt samen met de Vlaamse Proefcentra het voortouw in het onderzoek naar de duurzame landbouw van de toekomst.

    Het ILVO heeft voornamelijk een maatschappelijke functie te vervullen. Momenteel richt het instituut zich nog al te vaak op de economische belangen van de Vlaamse landbouwers. Het ILVO moet zich meer bezighouden met haar primaire functie: onderzoek naar duurzame landbouwtechnieken.

  69. We kiezen resoluut voor een innovatiebeleid dat de transitie naar een plantaardig systeem bevordert en daarom inzet op twee prioriteiten: Onderzoek naar de mogelijkheden tot schaal- en efficiëntieverhoging van de productie van vleesvervangers. Die zijn nu te duur door weinig kennis en een kleine afzetmarkt en stimulering van innovatie in de sector.

  70. Jong Groen pleit ervoor dat alle publieke refters, zowel in het gevangeniswezen, ziekenhuizen, scholen etc., wettelijk verplicht worden om gezonde vegan maaltijden conform aan alle gezondheidsregels aan te bieden als één van de opties.

    Deze maatregel zal voor een groot deel drempelverlagend werken, bijdragen tot een grotere diversiteit in het dieet van mensen en positieve effecten hebben inzake gezondheidszorg, milieu, klimaat en dierenwelzijn. Dit voorstel is naar analogie van het wetsvoorstel in Portugal dat werd goedgekeurd en geïmplementeerd door het parlement. Vegetarische opties moeten altijd aanwezig zijn.

  71. Jong Groen pleit ervoor om plantaardige maaltijden te stimuleren in de horeca.

    Een plantaardig (vegan) dieet biedt tal van voordelen. Ze bevordert niet enkel dierenwelzijn, maar heeft het ook een significant lagere impact op klimaat en milieu, en een positief effect op de volksgezondheid. Meer en meer mensen in België zien dit in en laten vlees vaker links liggen.

    Thuis is het makkelijk voor mensen om te experimenteren met de plantaardige keuken, maar eenmaal daarbuiten is het niet altijd evident om plantaardig te kiezen. Als drempelverlagende maatregel stelt Jong Groen voor dat horecazaken en traiteurs die veganistische gerechten op het menu zetten een financiële stimulans moeten krijgen (o.a. in de vorm van een lastenverlaging).

    Dit zal ervoor zorgen dat mensen buitenshuis makkelijker een plantaardige levensstijl kunnen aanhouden en dat meer mensen in contact komen met plantaardig voedsel. Horeca zaken en traiteurs worden ook aangemoedigd om gezonde plantaardige maaltijden te serveren.

  72. Jong Groen pleit voor een kortere productieketen.

    Ecologisch en maatschappelijk verantwoorde manieren van productie horen sterker aangemoedigd te worden. In dit strijdpunt streven we op Europees niveau naar een legale basis voor het weigeren van de invoer/productie van bepaalde producten omdat een overdreven negatieve ecologische of maatschappelijke impact hebben. (bv. Eucalyptus- en pijnboomhout uit Chili, bepaalde kledingmerken, energie uit fossiele brandstoffen, ...). 

    Hiermee bouwen we verder op reeds bestaande uitzonderingsmaatregelen op de vrije markt.

    Anderzijds willen we bestaande initiatieven voor verantwoorde productie sterker ondersteunen, zoals stadslandbouw en lokale markten, (gedecentraliseerde) groene energieproductie, ...

    Op stedelijk maar ook gewestelijk of federaal niveau kan sterker ingezet worden op het matchen van lokale producenten en nabije afzetmarkten. Bv. in Brussel kunnen markten georganiseerd worden met voedsel uit Pajottenland, in plaats van dit voedsel te exporteren en voedsel uit het buitenland te importeren. Zo verspillen we minder energie, zijn we minder afhankelijk van onzekere stromen ten tijde van gevaarlijke klimaatverandering, hebben we gemakkelijker controle over de productie.

  73. Jong Groen profileert zich voluit tegen verspilling.

    Ten eerste moeten winkels geresponsabiliseerd worden over hun afvalproductie. Maar breder dan dit moet het huidige verpakkingsmodel volledig herbekeken worden. Verpakkingsvrije winkels horen de norm te worden. Ook het gebruik van plastic zakken in winkels dient volledig verboden te worden.
    Daarnaast wil Jong Groen ook het oprichten van gemeentelijke deel, repareer en uitwisselingscentra stimuleren. Laten we ook het verkoopsmodel van electronica en huishoudtoestellen op gelijkaardige manier herdenken: we willen niet dat winkels wasmachines verkopen maar wel “uren wastijd”. Het wasmachine blijft eigendom van de producent. Zo kunnen we op dezelfde wijze ook bijvoorbeeld “uren licht” kopen nadat we een lamp mee naar huis namen. Gezien de electronica zelf eigendom blijft van de producent heeft deze er alle baat bij dat hun producten zo lang mogelijk meegaan. Het wettelijk kader moet het evidenter maken om hieraan te werken. Tevens zijn we voorstander van het vermelden van de milieukost in geld of water of bijdrage aan broeikaseffect per product, in de winkel zelf.

  74. Jong Groen pleit voor gesloten transportbakken in de voedingssector om zo voedselverpakkingen te verminderen.

    Momenteel gebeurt het transport van voedsel in open bakken (blauwe of groene bakken). Vaak moet het voedsel meermaals verpakt worden om dit hygiënisch te vervoeren. Zo zijn er vaak plastieken afdekfolies om het voedsel tegen vuil te beschermen. Met een gesloten transport zou de hoeveelheid plastieken verpakkingen drastisch kunnen dalen en dus ook onze afvalberg.

  75. Eetzaken moeten minstens één volwaardige vegetarische of veganistische optie voorzien.

    Er zijn steeds meer mensen die beslissen om vegetariër te worden. Volgens onderzoek van EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief) eten Belgen steeds minder vlees. In 2018 at 44% van de Belgen minder vlees dan in 2017. Daarnaast telde België in dat jaar 7% vegetariërs en 9% flexitariërs. Als we in die lijn verdergaan, zal dat getal de komende jaren nog blijven stijgen.

    Door het leven gaan als vegetariër of veganist is niet altijd even simpel. Nochtans is het niet zo moeilijk om het te vergemakkelijken. Iets dat veel zou helpen, is dat alle eetgelegenheden (restaurants, broodjeszaken, pizzeria’s, etc.) minstens één volwaardige vegetarische/veganistische maaltijd voorzien op hun kaart. Doordat we hen dat opleggen, gaan ze bewust(er) moeten nadenken over wat wel/niet vegetarisch of veganistisch is. Dan zullen er minder fouten gemaakt worden, en beseffen ze dat er ook vegetariërs en veganisten iets lekker willen eten.

  76. Jong Groen pleit voor een sterke band tussen stad en platteland door het promoten van regelmatige biomarkten en voedselcoöperatieven in de steden. Daarnaast moet verkoop op parkings langs drukke wegen gestimuleerd worden.

    Hierdoor kan men op weg naar huis rechtstreeks van de boer aankopen. Ook het concept van avondmarkten kan hierbij een meerwaarde betekenen. Voedselmonopolies moeten verboden worden.

    Vegetarische alternatieven worden actief gepromoot.

  77. Steden en gemeenten nemen hun voorbeeldfunctie op door vegetarische maaltijden in openbare instellingen (zoals scholen, ziekenhuizen, etc.) aan te bieden.

  78. In de stad moet er voldoende ruimte zijn voor stads-, dak- en balkontuintjes en aan de rand voor zelfplukboerderijen. Waar mogelijk staan in parken fruitbomen en –struiken. Op verschillende plaatsen in de stad komen compostpunten voor keukenafval en producenten kunnen op deze plaatsen gratis compost verkrijgen.

  79. Boeren krijgen een eerlijke prijs voor hun producten. Naast lokale en seizoen producten, moeten ook fair-trade producten worden gepromoot.

  80. GGO’s in de duurzame landbouw

    Om de voedselzekerheid te verenigen met een duurzaam milieubeleid, wil Jong Groen in de eerste plaats inzetten op een geïntegreerde ecologische landbouw, die maximaal gebruik maakt van de bestaande biodiversiteit aan landbouwgewassen en de principes van agro-ecologische landbouw. Indien met genetische modificatie een duidelijke vooruitgang kan geboekt worden om de milieu- impact van de landbouw te verminderen, door een hogere efficiëntie van deze techniek tegenover anderen, dan wil Jong Groen het kader scheppen om dit te gebruiken.

  81. Veiligheid in GGO’s

    Jong Groen sluit zich aan bij de conclusie van de Europese Unie 3 dat genetische modificatie (GM) niet per se risicovoller is dan de conventionele plantenveredelingstechnieken. De introductie van een nieuwe GM variëteit wordt toegelaten als er na gepast en verantwoord onderzoek bevonden wordt dat er geen negatieve impact is op volksgezondheid en het milieu.

  82. Wetenschappelijk onderzoek GGO’s

    Jong Groen ziet in dat onderzoek naar gentechnologie en GGO’s van belang is, niet enkel voor de fundamentele wetenschap en diverse toepassingen, maar ook om het maatschappelijk debat te voeden. Onderzoek gebeurt idealiter onafhankelijk. Publiek onderzoek gebeurt onafhankelijk en in functie van de transitie naar een ecologische, sociale en leefbare landbouw. Jong Groen pleit ook dat alle resultaten van dergelijk wetenschappelijk onderzoek openbaar zijn.

  83. Jong Groen pleit voor de oprichting van een Vlaams Agro-Ecologisch Instituut.

  84. Meer korte keten productie.

    Korte keten gaat verder dan voeding. Ecologisch en maatschappelijk verantwoorde manieren van productie horen sterker aangemoedigd te worden. In dit strijdpunt streven we op Europees niveau naar een legale basis voor het weigeren van de invoer/productie van bepaalde producten omdat een overdreven negatieve ecologische of maatschappelijke impact hebben. (bv. Eucalyptus- en pijnboomhout uit Chili, bepaalde kledingmerken, energie uit fossiele brandstoffen, ...). Hiermee bouwen we verder op reeds bestaande uitzonderingsmaatregelen op de vrije markt.

    Anderzijds willen we bestaande initiatieven voor verantwoorde productie sterker ondersteunen, zoals stadslandbouw en lokale markten, (gedecentraliseerde) groene energieproductie, ... Op stedelijk maar ook gewestelijk of federaal niveau kan sterker ingezet worden op het matchen van lokale producenten en nabije afzetmarkten. Bv. in Brussel kunnen markten georganiseerd worden met voedsel uit Pajottenland, in plaats van dit voedsel te exporteren en voedsel uit het buitenland te importeren. Zo verspillen we minder energie, zijn we minder afhankelijk van onzekere stromen ten tijde van gevaarlijke klimaatverandering, hebben we gemakkelijker controle over de productie.




 

Overzicht van alle standpunten van Jong Groen per thema:

armoedebestrijding en leefomstandighedendeMOcratie en staatsstructuureuropa en internationale politiekgender en diversiteitENergieLokaalMIgratiemilieu en klimaatonderwijs, jeugd en vrijetijdsbestedingvoedselsystemenwelzijn en samenlevenwerk en economiemobiliteitinterne richtlijnen

 

Check hier de standpuntenbundel met alle standpunten van Jong Groen.
(pdf, laatste update Amendementencongres 2021)


Word 'standpuntenliefhebber' bij Jong Groen

Als standpuntenliefhebber werk je mee aan het opstellen van nieuwe standpunten die ter goedkeuring worden voorgesteld aan leden. Je denkt mee na over wat we doen met de huidige standpunten of over hoe we leden meer kunnen betrekken bij het stemmen van onze standpunten via e-democracy. Je bent ook zeker welkom als je mee wil werken aan de voorbereiding van ons congres of gewoon heel wat wil opsteken over Jong Groen standpunten.

Check hier de vrijwilligersvacature en ... doe mee!

 

Contact

Kilian Vandenhirtz

bestuurslid Basisdemocratie & Standpuntenbepaling
[email protected]

 


Paola Travella

covoorzitster Jong Groen (perscontact)
[email protected]

#detoekomstisvanons