Congres 2.0 - Onderwijs

Waarom onderwijs een prioriteit hoort te zijn 

Onderwijs is voor ons, jonge ecologisten, een absolute prioriteit. Dat zou het ook moeten zijn voor alle politici en beleidsmakers. Een kwalitatief en toegankelijk onderwijs is voor elke burger belangrijk. Wie is er immers niet, hetzij rechtstreeks (als leerling, student of leerkracht) hetzij onrechtstreeks (als ouder of grootouder), bij onderwijs betrokken? Het aantal leerlingen (1,2 miljoen leerlingen), het aantal personeelsleden (160 000 voltijdse krachten) en de grootte van het onderwijsbudget (9 miljard euro of 38 procent van de Vlaamse begroting) geven dit aan.

De interesse van Jong Groen! voor onderwijs wordt echter ingegeven door een meer fundamentele bezorgdheid: onderwijsbeleid maakt duidelijk hoe je als samenleving en als beleid omspringt met kinderen en jongeren, de burgers van de toekomst. De jaren op de schoolbanken betekenen voor hen een wereld van verschil; ze zijn bepalend voor hun latere mogelijkheden en kansen.

Net daar loopt het momenteel mis. Onderwijs is immers niet voor iedereen een garantie op zelfontwikkeling of een hefboom voor sociale mobiliteit. Niet elk kind ontwikkelt zich ten volle op onze schoolbanken. Ons onderwijs presteert dan wel ijzersterk in wiskunde, taal en wetenschappen; maar ook qua sociale ongelijkheid zijn we de wereldkampioen. De kloof tussen de sterkste en de zwakste presteerders is nergens zo groot, en die kloof blijkt sterk sociaal bepaald te zijn.

Beter later kiezen, later beter kiezen 

Leerlingen worden bij ons al heel vroeg verplicht om te kiezen tussen verschillende onderwijsvormen. De eerste selectie gebeurt al op 12 jaar wanneer de leerlingen overstappen naar het middelbaar onderwijs. Kinderen met leermoeilijkheden komen dan al terecht in het ‘eerste leerjaar B', dat leidt naar het beroepsonderwijs. Ook in de A-stroom dienen leerlingen al meteen bepaalde keuzes te maken. De drastische selectie gebeurt vanaf het derde middelbaar wanneer men moet kiezen tussen ASO, BSO, TSO en KSO.

De snelle oriëntering, de manier waarop die tot stand komt en de hiërarchie tussen de verschillende onderwijsvormen hebben enkele kwalijke gevolgen. Zo blijkt de keuze tussen ASO enerzijds en TSO en BSO anderzijds sociaal bepaald. Jongeren uit lagere inkomensgroepen zijn oververtegenwoordigd in het BSO en ondervertegenwoordigd in het ASO, door velen nog steeds aanzien als the place to be voor alle jongeren. Door de keuze op jonge leeftijd zijn er maar weinig jongeren die echt kiezen op basis van hun interesses. Er schort ook iets aan de inhoud van de verschillende onderwijsvormen. Leerlingen in BSO en TSO oefenen erg specifieke vaardigheden en genieten daardoor te weinig algemene vorming, terwijl ASO-leerlingen enkel een algemene vorming en dus te weinig technische vorming krijgen.

Jong Groen! pleit daarom voor een hervorming van het secundair onderwijs. In het huidige systeem krijgen heel wat jongeren voortdurend met teleurstellingen te maken. Bovendien bestendigt het systeem de bestaande sociale verhoudingen. Er is nood aan een andere benadering waarbij de keuze veel minder sociaal gedetermineerd is en meer gebaseerd is op interesses en vaardigheden. Gelijke onderwijskansen en het opkrikken van het algemene onderwijsniveau zijn de doelstellingen van die hervorming.

Om dit alles te realiseren pleit Jong Groen! voor het uitstellen van de studiekeuze en de invoering van een comprehensieve middenschool (een ‘allesomvattende school') tot 14 jaar. In de tweejarige opleiding krijgen alle leerlingen zowel algemene, creatieve als technische vorming. Hoewel iedereen dezelfde opleiding volgt, is er ook binnen zo'n comprehensief onderwijssysteem ruimte voor keuzevakken. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld vier lesuren per week zelf invullen. Hierbij denken we aan toneel, initiatie van een extra taal, fotografie, websiteontwikkeling, labtechnieken, bijkomende uren sport, ... Die keuzes mogen echter niet bepalend zijn voor latere studiemogelijkheden. Pas vanaf het derde jaar kiezen leerlingen een richting die hen voorbereidt op hoger onderwijs of op een kwalificatie.

Over het volgende dient steeds gewaakt te worden: de organisatisorische aspecten van het schoolsysteem mogen het toepassen van de comprehensieve middenschool niet ondermijnen. In het verleden is immers gebleken dat middenscholen zich bijna uitsluitend richtten op de secundaire school waarmee ze samenwerken. Dit betekent dat de middenschool de leerlingen voorbereidde op een ASO-, een BSO- of een TSO-opleiding.

Twaalfjarigen wier startpositie niet toelaat om de tweejarige opleiding aan te vatten krijgen de kans om de comprehensieve middenschool af te leggen in drie jaar. Op die manier kunnen voor hen bepaalde vakken meer uitgewerkt worden, is er ruimte voor extra (individuele) begeleiding en is er tijd om leervaardigheden te ontwikkelen. Voor anderstaligen kan er ook moedertaalonderwijs worden aangeboden. De betrokken leerlingen studeren een jaar langer, maar via die weg is de opgedane kennis voor alle leerlingen wel gelijk. Zo hebben deze jongeren op 15 jaar weer alle keuzemogelijkheden. Om de jongeren te helpen bij de keuze na de comprehensieve middenschool wordt een oriëntatieproef georganiseerd. Deze proef is louter indicatief, maar een goed overleg tussen de ouders, de school en het CLB (Centrum voor Leerlingbegeleiding) is wel cruciaal. Op die leeftijd is al veel duidelijker welke weg jongeren uit willen.

Voor jongeren aan wie school niet besteed is, vragen we een goede opvang en begeleiding in een traject afwisselend leren en werken. De overheid kan hierin helpen door bedrijven te stimuleren om werkplaatsen te voorzien voor deeltijds lerende jongeren.

De uitgestelde keuze alleen is niet voldoende. De latere (her)oriëntering en de manier waarop die tot stand komt, moet ook anders. Het onderwijs van nu moet plaats ruimen voor een onderwijs dat oriënteert op basis van talenten, interesses en vaardigheden, eerder dan op tekortkomingen. Tussentijds is er ook nood aan nog meer individuele begeleiding. Via een nuttige invulling van studie- en springuren verkrijg je extra tijd om studieproblemen te verhelpen. Via graadoverschrijdende klassenraden en leerlingenportfolio's (liefst centraal georganiseerd) kunnen leerkrachten proactief optreden.

Ook bij de overgang naar het hoger onderwijs is een goede oriëntering belangrijk. Heel wat jongeren maken nu in eerste instantie een foute keuze, vaak op basis van foute criteria en door een gebrek aan informatie. Hier is een meer actieve rol weggelegd voor de scholen en de CLB's. Middelbare scholen kunnen jongeren beter inlichten via trajectbegeleiders en informatiepunten. Naast de traditionele brochures moeten de jongeren ook universiteiten en hogescholen bezoeken, colleges bijwonen en oud-studenten ontmoeten. In plaats van toekomstige studenten te overrompelen met informatie over de studentikoze activiteiten moeten onderwijsinstellingen vooral eerlijk en duidelijk communiceren over de verwachtingen bij bepaalde studierichtingen. Daarnaast kunnen er in het laatste jaar secundair onderwijs ook interessetests en oriënteringsproeven georganiseerd worden. Zulke proeven mogen geen bindend karakter hebben, maar kunnen jongeren wel wijzen op hun mogelijkheden en aandachtspunten.

Ook tijdens de opleiding is informatie en begeleiding cruciaal. Voor de meeste jongeren is flexibilisering een goede zaak, maar voor de minder sterke studenten houdt dit echter ook risico's in. Om te vermijden dat zij te veel studievertraging oplopen, is een snelle en actieve coaching dus noodzakelijk. Studenten moeten beloond worden als ze het vakkenpakket waarvoor ze zich hebben ingeschreven ook volledig afwerken. Hierbij denken we onder andere aan het opnieuw invoeren van deliberaties en compensatiemogelijkheden.

Weg met de ongelijkheid tussen scholen 

Wanneer we kijken naar de onderwijsstatistieken, stellen we vast dat er nog steeds een grote sociale ongelijkheid bestaat in het onderwijs. Die ongelijkheid bestaat tussen individuele leerlingen, maar ook tussen scholen. Momenteel is er immers een groot prestige- en niveauverschil tussen onderwijsinstellingen, zowel in het lager als in het secundair onderwijs. Sociaal-economisch sterke leerlingen bestendigen hun kansrijke positie in zogenaamde elitescholen. Hun minder gegoede leeftijdsgenoten brengen echter hun tijd door op de schoolbanken van concentratiescholen met heel wat sociaal zwakkere en/of anderstalige jongeren. Naast de sociale achtergrond wordt de schoolkeuze de tweede bepalende factor voor de latere school- en levenskansen van kansarme jongeren. Om komaf te maken met die nefaste situatie pleit Jong Groen! voor een reorganisatie van het inschrijvingsbeleid in het leerplichtonderwijs en voor sterke financiële incentives aan scholen die gelijke onderwijskansen wel ter harte nemen.

Voor Jong Groen! moet het inschrijvingsbeleid van lagere en middelbare scholen dus veranderen. Voortaan moet elke school GOK-leerlingen (gelijke onderwijskansen) voorrang geven bij de inschrijving. Wij zien het immers als een plicht van elke school om zich te bekommeren om gelijke kansen. Daarnaast is het belangrijk om ook kinderen uit de buurt voorrang te geven. Op die manier versterkt de school haar lokaal draagvlak en vormt ze ook een weerspiegeling van de maatschappij. De inschrijvingsperiode wordt dan voortaan opgesplitst in 5 periodes: eerst broertjes en zusjes van reeds ingeschreven leerlingen, nadien GOK-kinderen uit de buurt, dan kinderen uit de buurt, later GOK-kinderen die niet in de buurt wonen en tot slot kinderen die verder uit de buurt wonen. Als de inschrijvingsperiodes vastgelegd worden op Vlaams niveau, gelden dezelfde periodes voor alle scholen. Op die manier kan er gecommuniceerd worden via websites en uitgebreide advertentiecampagnes. Alleen zo realiseer je een duidelijke situatie, waarbij alle ouders op de hoogte zijn.

Naast een ander inschrijvingsbeleid vraagt Jong Groen! ook sterke financiële stimuli voor lagere en secundaire scholen die zich inspannen voor het realiseren van sociale gelijkheid. Scholen met veel kansarme leerlingen moeten aanzienlijk meer middelen krijgen. De financiële consequenties moeten gaan van meer lestijden tot bijkomende infrastructurele financiering. Alleen zo motiveren we alle scholen om te streven naar een gezonde sociale mix en gelijke onderwijskansen. De scholen die bijkomende middelen genieten omwille van het aantal kansarme leerlingen moeten die middelen wel aanwenden om de onderwijskansen van de betrokken jongeren te verbeteren.

Daarenboven moeten toekomstige leerkrachten ook een intensieve initiatie krijgen inzake problemen rond multiculturaliteit. Jong Groen! is daarom voorstander van het inrichten van een seminarievak rond multiculturaliteit in alle soorten lerarenopleidingen in het hoger onderwijs. Dit wil zeggen zowel in de opleiding kleuteronderwijs, lager onderwijs, lager middelbaar onderwijs als de specifieke lerarenopleiding.

Om de niveauverschillen tussen scholen weg te werken, is het ook belangrijk dat de lat voor iedereen gelijk ligt. Jong Groen! vraagt daarom naast concretere ontwikkelingsdoelen (lager onderwijs) en eindtermen (secundair onderwijs), ook eenduidige leerplannen, gelijk voor alle scholen en netten. Naast specifieke maatregelen, is er nood aan meer middelen, enerzijds voor kleinere klassen, anderzijds voor meer leerkrachten per klas.

Meertalig onderwijs is de toekomst 

Op dit moment is er in Vlaanderen geen plaats voor meertalig onderwijs: voor allochtone leerlingen wordt geen moedertaalonderwijs ingericht en in tegenstelling tot de Franstalige gemeenschap kennen we ook geen immersie- of taalbadonderwijs. Jong Groen! wil komaf maken met die situatie en pleit voor een open geest wat betreft talenonderwijs. Meertalig onderwijs is voor ons, jonge ecologisten, de toekomst. Het staat het Nederlands niet naar het leven, wel integendeel. Concreet denken we aan twee vormen van meertalig onderwijs die kunnen samengaan: tijdelijk moedertaalonderwijs voor nieuwkomers en immersie-onderwijs voor alle leerlingen in het secundair onderwijs, waardoor voortaan bepaalde vakken in het Frans gegeven worden.

Het aanbieden van tijdelijk moedertaalonderwijs voor anderstaligen is een belangrijke stap in het realiseren van gelijke onderwijskansen. Anderstalige leerlingen krijgen de mogelijkheid om, na de lesuren, een samenvatting van enkele lessen te krijgen in hun moedertaal. Concreet wil dit zeggen dat leerlingen de eigenlijke les zullen volgen in het Nederlands, maar dat ze extra vragen of een samenvatting van vorige lessen in hun moedertaal kunnen krijgen. Belangrijk is dat ook daar aandacht wordt besteed aan de Nederlandse vaktermen. Men kan moedertaalonderwijs bijvoorbeeld aanbieden in bepaalde kleuterscholen, waar veel allochtone kinderen instromen die noch het Nederlands, noch hun moedertaal goed beheersen.

Moedertaalonderwijs is dus steeds tijdelijk en wordt aangeboden om de betrokken jongeren de nodige taalvaardigheid bij te brengen. Geleidelijk daalt het aantal lesuren in de moedertaal en stijgt het aantal uren in het Nederlands, totdat de leerlingen hun moedertaal voldoende beheersen om vlot Nederlands te leren. Taalkundig wordt het voor nieuwkomers dankzij moedertaalonderwijs eenvoudiger om een goede kennis te verwerven van het Nederlands. Ook voor het zelfvertrouwen en de integratiebereidheid is het belangrijk dat de allochtone moedertaal door de school erkend en zelfs gevalideerd wordt. Om dit nog te versterken kan het interessant zijn om ook andere leerlingen de kans te geven om de talen uit het tijdelijk moedertaalonderwijs te volgen: als keuzevak of na de schooluren op vrijwillige basis.

Daarnaast pleit Jong Groen! voor de invoering van immersie in het secundair onderwijs, waardoor het aantal uren Frans gevoelig wordt opgedreven. Vakken zoals wetenschappen, geschiedenis en aardrijkskunde worden voortaan in het Frans gegeven door een Franstalige. Er wordt ook meer aandacht besteed aan praktijkoefeningen, door bijvoorbeeld de uitstap naar Parijs helemaal in het Frans te laten verlopen. Leerlingen hebben zo tot 30 à 50 procent van hun lessenrooster in het Frans. Op die manier krijgen leerlingen al op een jonge leeftijd de mogelijkheid tot meertaligheid. Bovendien vergaren leerlingen ook ‘taalleervaardigheid', waardoor het voor hen eenvoudiger wordt om andere talen te leren. Om immersie-onderwijs succesvol toe te passen, is een intensieve begeleiding van minder taalvaardige leerlingen noodzakelijk. Zwakkere leerlingen mogen het immers niet nog moeilijker krijgen. Binnen de huidige maatschappelijke context heeft immersie-onderwijs nog andere interessante neveneffecten: jongeren leren voortaan de taal van de andere gemeenschappen beter kennen. Belangrijk, want taal brengt mensen samen. Het is daarom ook cruciaal dat immersie-onderwijs in het ganse land wordt ingevoerd.

Ook in het hoger onderwijs moet talenkennis een prioriteit zijn en blijven: niet alleen voor de studenten vertaler-tolk, maar voor alle studenten. Opleidingen, vakken of publicaties in vreemde talen zijn dus een goede zaak. Sterker nog, Jong Groen! pleit voor een uitbreiding van de anderstalige opleidingsonderdelen in de bachelor- en masteropleidingen. Alleen zo bereid je jongeren immers voor op een baan in een meertalige context. Voor minder taalvaardige studenten moet voldoende individuele begeleiding worden georganiseerd, bijvoorbeeld via remediëringslessen in het Nederlands of extra taalcursussen. De docenten moeten de vreemde taal ook uitstekend beheersen. Het uitbreiden en democratiseren van het aanbod taalstages en internationale uitwisselingen moet die doelstelling verder ondersteunen.

Lagere studiekosten, beter toegang tot hoger onderwijs 

Hoger onderwijs moet een haalbare optie zijn voor elke jongeren die zijn of haar middelbaar onderwijs op geslaagde wijze afrondt. Jong Groen! kiest voluit voor een democratisch onderwijs met lage studiekosten en een voorbereiding hierop voor elke leerling die de stap hier naartoe wenst te maken. Toch is Jong Groen! zich bewust van dat heel wat jongeren geen hogere studie aanvangen. Voor hen moet een goede voorbereiding op het professionele leven reeds in hun middelbare opleiding voorzien worden. Zo kunnen ze na het behalen van hun middelbare diploma snel en gemakkelijk op de arbeidsmarkt stappen. Samenwerking tussen scholen en bedrijven is daarom noodzakelijk.

Jong Groen! pleit principieel voor gratis leerplichtonderwijs. Daarnaast is er ook in het hoger onderwijs qua studiekosten nog heel wat werk aan de winkel. Studeren aan een hogeschool of universiteit kost op dit moment een bom geld: inschrijvingsgeld, cursusmateriaal, huisvesting, openbaar vervoer, ... . Die onkosten maken het voor de laagste inkomens moeilijker om daadwerkelijk verder te studeren. Voor Jong Groen! moet dit veranderen. Concreet pleit Jong Groen! daarom voor een verhoging van het aantal beursstudenten, het optrekken van de beursbedragen, het verlagen van de inschrijvingsgelden en de invoering van een maximumfactuur voor studiemateriaal. Tegelijkertijd pleit Jong Groen! voor een strengere controle op het toekennen van studiebeurzen. Nu komen die nog te vaak in verkeerde handen terecht, terwijl diegenen die het hardst een beurs nodig hebben, uit de boot vallen. Bovendien moet een beurs steeds toegekend worden op basis van de reële financiële draagkracht van de student.

Op dit moment komen veel financieel kwetsbare studenten niet in aanmerking voor een studiebeurs. Slechts een kwart van de studenten krijgt op dit moment een studiebeurs. Jong Groen! vraagt daarom een verhoging van de inkomensgrenzen om aanspraak te kunnen maken op een studiebeurs. Minstens een derde van de studenten moet een beurs kunnen genieten. Om te vermijden dat beursgerechtigde studenten om administratieve of psychologische redenen geen aanvraag indienen, moeten beurzen automatisch worden toegekend. Studenten die aan de criteria voldoen, hoeven dan geen aanvraag meer in te dienen. Daarnaast moeten de beursbedragen ook worden opgetrokken. De huidige bedragen dekken immers niet alle directe studiekosten. Studiekosten moeten voortaan tweejaarlijks worden gemeten. De evolutie wordt bijgehouden via een studiekostenindex. Bij een stijging van de index worden de studiebeurzen automatisch aangepast.

Scholen die nieuwe opleidingen aanbieden moeten extra ondersteund worden. Naast maatregelen inzake studiefinanciering is het ook belangrijk om de eigenlijke studiekosten voor alle studenten te verlagen. In de eerste plaats vraagt Jong Groen! een democratisering van de inschrijvingsgelden. Ze vormen immers de meest zichtbare studiekost: hoge inschrijvingsgelden maken democratisering onmogelijk. De voorbije tien jaar zijn de inschrijvingsgelden echter met 50% gestegen voor hogeschoolstudenten en met 40% voor universiteitsstudenten. Ook de inschrijvingsgelden van heel wat manama's en banaba's of die van de lerarenopleiding werden recent aanzienlijk verhoogd. Net als VVS en FEF, respectievelijk de Vlaamse en Waalse studentenorganisaties, eist Jong Groen! een radicale trendbreuk: een wettelijk verankerde standstill van inschrijvingsgelden om zo op termijn een vermindering van de kosten verbonden aan het hoger onderwijs te realiseren. Ook de kosten voor studiemateriaal moeten lager. Om onderwijsinstellingen en docenten daarin te responsabiliseren pleit Jong Groen! voor een maximumfactuur, een kostenplafond per studiepunt voor opleidingsspecifieke kosten en studiemateriaal. Studenten moeten ook vooraf duidelijk weten hoeveel een bepaalde opleiding kost. Het beleid ten aanzien van studiekosten moet ook een onderdeel worden van de kwaliteitsvisitaties en accreditaties. Studierichtingen die per definitie meer studiekosten inhouden, moeten door de overheid sterker gefinancieerd worden.

Die studiekostenverlagende maatregelen kosten uiteraard geld. Beleidsmakers dienen echter keuzes te maken. Voor Jong Groen! is een democratisch en kwaliteitsvol hoger onderwijs fundamenteel. Om dit te realiseren moeten er meer middelen worden vrijgemaakt voor onderwijs. Jong Groen! wil dat de overheden in ons land samen minstens 7% van het BBP uitgeven aan onderwijs, waarvan 2% moet worden voorbehouden voor het hoger onderwijs. Die 2%-doelstelling wordt ook vooruitgeschoven door de Europese Commissie in het kader van de Lissabonstrategie.

De grootte van het onderwijsbudget is belangrijk, maar ook de manier waarop die wordt verdeeld. Specifiek voor het hoger onderwijs blijft Jong Groen! gekant tegen de pas ingevoerde outputfinanciering. Met een financiering op basis van het aantal geslaagde studenten riskeer je immers selectiemechanismen en/of een daling van het onderwijsniveau. De gevolgen van deze financieringswijze moeten dus zo snel mogelijk geëvalueerd worden. Als die negatief blijken te zijn, moet de outputgerichte financiering meteen worden afgeschaft.

Om de slaagkansen van sociaal zwakkere studenten te verhogen, pleit Jong Groen! voor het uitbreiden van het ‘Aanmoedigingsfonds'. Onderwijsinstellingen die studenten goed begeleiden moeten extra middelen krijgen.

Thema: