Onderwijs, Jeugd en Vrijetijdsbesteding

ALLE STANDPUNTEN VAN JONG GROEN BINNEN HET THEMA 'ONDERWIJS, JEUGD EN VRIJETIJDSBESTEDING':

  1. Jong Groen pleit voor de invoering van een comprehensieve middenschool tot 14 jaar.

    In die tweejarige opleiding zullen alle leerlingen zowel algemene, creatieve als technische vorming krijgen. Hoewel iedereen dezelfde opleiding volgt, is er ook binnen zo’n comprehensief onderwijssysteem ruimte voor enkele keuzevakken. Leerlingen zouden bijvoorbeeld vier lesuren per week zelf kunnen invullen. Hierbij denken we aan toneel, initiatie van een extra taal, fotografie, websiteontwikkeling, labotechnieken, bijkomende uren sport, ... Die keuzes mogen echter niet bepalend zijn voor latere studiemogelijkheden. Pas vanaf het derde jaar zullen leerlingen dan een richting kiezen die hen voorbereidt op hoger onderwijs of op een kwalificatie.

    Twaalfjarigen wier startpositie niet toelaat om de tweejarige opleiding aan te vatten krijgen de kans om de comprehensieve middenschool af te leggen in drie jaar. Op die manier kunnen voor hen bepaalde vakken meer uitgewerkt worden, is er ruimte voor extra (individuele) begeleiding en is er tijd om leervaardigheden te ontwikkelen. Voor anderstaligen kan er ook moedertaalonderwijs worden aangeboden. De betrokken leerlingen studeren een jaar langer, maar via die weg is de opgedane kennis voor alle leerlingen wel gelijk. Zo hebben deze jongeren op 15 jaar weer alle keuzemogelijkheden.

  2. Het onderwijs van nu moet plaats ruimen voor een onderwijs dat oriënteert op basis van talenten, interesses en vaardigheden, eerder dan op tekortkomingen. Tussentijds is er ook nood aan nog meer individuele begeleiding.

    Via een nuttige invulling van studie‐ en springuren kan extra tijd gerealiseerd worden om studieproblemen te verhelpen. Via graadoverschrijdende klassenraden en leerlingenportfolio’s (liefst centraal georganiseerd) kunnen leerkrachten proactief optreden.

  3. Middelbare scholen en CLB’s dienen een actievere rol op te nemen bij de overgang van hun leerlingen naar het hoger onderwijs.

    Heel wat jongeren maken nu in eerste instantie een foute keuze, vaak op basis van foute criteria en door een gebrek aan informatie. Hier is een meer actieve rol weggelegd voor de scholen en de CLB’s. Middelbare scholen kunnen jongeren beter informeren via trajectbegeleiders en informatiepunten. Naast de traditionele brochures moeten de jongeren ook universiteiten en hogescholen bezoeken, colleges bijwonen en oud‐studenten ontmoeten. In plaats van toekomstige studenten te overrompelen met informatie over de studentikoze activiteiten moeten onderwijsinstellingen vooral eerlijk en duidelijk communiceren over de verwachtingen bij bepaalde studierichtingen.

    Daarnaast kunnen er in het laatste jaar secundair onderwijs ook interessetests en oriënteringsproeven georganiseerd worden. Zulke proeven mogen geen bindend karakter hebben, maar kunnen jongeren wel informeren over hun mogelijkheden en aandachtspunten. Ook tijdens de opleiding is informatie en begeleiding cruciaal. Voor de meeste jongeren is de flexibilisering een goede zaak, maar voor de minder sterke studenten houdt dit echter ook risico’s in. Om te vermijden dat zij al te veel studievertraging oplopen, is een snelle en actieve coaching dus noodzakelijk.

  4. Voor Jong Groen moet het inschrijvingsbeleid van lagere en middelbare scholen dus veranderen. Voortaan moet elke school GOK‐leerlingen voorrang geven bij de inschrijving.

    Wij zien het immers als een plicht van elke school om zich te bekommeren om gelijke kansen.

  5. Het is belangrijk om kinderen uit de buurt voorrang te geven bij inschrijvingen.

    Op die manier versterkt de school haar lokaal draagvlak en vormt ze ook een weerspiegeling van de maatschappij. De inschrijvingsperiode wordt dan voortaan opgesplitst in 5 periodes: eerst broertjes en zusjes van reeds ingeschreven leerlingen, nadien GOK‐kinderen uit de buurt, dan kinderen uit de buurt, later GOK‐kinderen die niet in de buurt wonen en tot slot kinderen die verder uit de buurt wonen. Als de inschrijvingsperiodes vastgelegd worden op Vlaams niveau, gelden dezelfde periodes voor alle scholen. Op die manier kan er gecommuniceerd worden via websites en uitgebreide advertentiecampagnes. Alleen zo realiseer je een duidelijke situatie, waarbij alle ouders op de hoogte zijn.

  6. Jong Groen pleit voor een sterke financiële stimuli voor lagere en secundaire scholen die zich inspannen voor het realiseren van sociale gelijkheid.

    Scholen met veel kansarme leerlingen moeten aanzienlijk meer middelen krijgen. De financiële consequenties moeten gaan van meer lestijden tot bijkomende infrastructurele financiering. Alleen zo creëren we motivatie bij alle scholen om te streven naar een gezonde sociale mix en gelijke onderwijskansen. De scholen die bijkomende middelen genieten omwille van het aantal kansarme leerlingen moeten die middelen wel aanwenden om de onderwijskansen van de betrokken jongeren te verbeteren.

  7. Om de niveauverschillen tussen scholen weg te werken, is het belangrijk dat de lat voor iedereen gelijk ligt. Jong Groen vraagt daarom naast concretere ontwikkelingsdoelen (lager onderwijs) en eindtermen (secundair onderwijs), ook eenduidige leerplannen, gelijk voor alle scholen en netten.

  8. Jong Groen pleit voor meertalig onderwijs tijdelijk moedertaalonderwijs voor nieuwkomers

    Het aanbieden van tijdelijk moedertaalonderwijs voor anderstaligen is een belangrijke stap in het realiseren van gelijke onderwijskansen. Concreet zouden anderstalige leerlingen tijdelijk een deel van hun lestijden in hun moedertaal krijgen en een ander deel in het Nederlands. Geleidelijk daalt het aantal lesuren in de moedertaal en stijgt het aantal uren in het Nederlands, totdat de leerlingen hun moedertaal voldoende beheersen om vlot Nederlands te leren. Taalkundig wordt het voor nieuwkomers dankzij moedertaalonderwijs eenvoudiger om een goede kennis te verwerven van het Nederlands. Ook voor het zelfvertrouwen en de integratiebereidheid is het belangrijk dat de allochtone moedertaal door de school erkend en zelfs gevalideerd wordt.

  9. Jong Groen pleit voor de invoering van immersie in het secundair onderwijs, waardoor het aantal uren Frans gevoelig wordt opgedreven.

    Vakken zoals wetenschappen, geschiedenis en aardrijkskunde worden voortaan in het Frans gegeven door een Franstalige. Leerlingen hebben zo tot 30 à 50 procent van hun lessenrooster in het Frans. Op die manier wordt tweetaligheid (Nederlands‐Frans) de norm. Bovendien vergaren leerlingen ook ‘taal‐leervaardigheid’, waardoor het voor hen eenvoudiger wordt om andere talen te leren. Binnen de huidige communautaire context heeft immersieonderwijs nog andere interessante neveneffecten: jongeren leren voortaan beter de taal van de andere gemeenschap. Belangrijk, want taal brengt mensen samen.

  10. Jong Groen pleit voor een uitbreiding van de anderstalige opleidingsonderdelen in de bachelor‐ en masteropleidingen.

    Alleen zo bereid je jongeren immers voor op een baan in een meertalige context. Het uitbreiden en democratiseren van het aanbod taalstages en internationale uitwisselingen moet die doelstelling verder ondersteunen.

  11. Jong Groen pleit voor een hervorming van het systeem van beurzen in het onderwijs.

    Jong Groen vraagt een verhoging van de inkomensgrenzen om aanspraak te kunnen maken op een studiebeurs. Minstens een derde van de studenten moet een beurs kunnen genieten.

    Om te vermijden dat beursgerechtigde studenten om administratieve of psychologische redenen geen aanvraag indienen, moeten beurzen automatisch worden toegekend. Studenten die aan de criteria voldoen, hoeven dan geen aanvraag meer in te dienen. Daarnaast moeten de beursbedragen ook worden opgetrokken. De huidige bedragen dekken immers niet eens alle directe studiekosten.

    Studiekosten moeten voortaan tweejaarlijks worden gemeten. De evolutie wordt bijgehouden via een studiekostenindex. Bij een stijging van de index worden de studiebeurzen automatisch aangepast.

  12. Jong Groen pleit voor een democratisering van de inschrijvingsgelden.

    Ze vormen immers de meest zichtbare studiekost: hoge inschrijvingsgelden maken democratisering onmogelijk. De voorbije tien jaar zijn de inschrijvingsgelden echter met 50% gestegen voor hogeschoolstudenten en met 40% voor universiteitsstudenten. Ook de inschrijvingsgelden van heel wat manama’s en banaba’s of die van de lerarenopleiding werden recent aanzienlijk verhoogd. Net als VVS en FEF, de Vlaamse en Waalse studentenorganisaties, eist Jong Groen! een radicale trendbreuk: een wettelijk verankerde standstill van inschrijvingsgelden en de geleidelijke invoering van kosteloos hoger onderwijs.

  13. Jong Groen pleit voor een maximumfactuur, een kostenplafond per studiepunt voor opleiding specifieke kosten en studiemateriaal.

    Studenten moeten ook vooraf duidelijk kunnen weten hoeveel een bepaalde opleiding kost. Het beleid ten aanzien van studiekosten moet ook een onderdeel worden van de kwaliteitsvisitaties en accreditaties. Studierichtingen die per definitie meer studiekosten inhouden, moeten door de overheid sterker gefinancierd worden.

  14. Jong Groen wil dat de overheden in ons land samen minstens 7% van het BBP uitgeven aan onderwijs, waarvan 2% moet worden voorbehouden voor het hoger onderwijs. Die 2%‐doelstelling wordt ook vooruitgeschoven door de Europese Commissie in het kader van de Lissabonstrategie.

  15. In het secundair onderwijs moeten jongeren via projectweken kunnen kennismaken met de werking van politieke instellingen en partijstandpunten.

  16. Het kleuteronderwijs speelt een belangrijke rol in het leerproces van jonge kinderen. Daarom willen we het kleuteronderwijs verplicht maken voor kinderen vanaf 3 jaar. Kleuters moeten dan tenminste 2/3 van het aantal schooldagen verplicht aanwezig zijn op school. De overige dagen zijn de kleuters ook welkom, maar is er geen verplichting.

    De momenten waarop de kinderen aanwezig zijn, moeten niet vastgelegd zijn. In de praktijk zien we dat het merendeel van de 3- tot 5- jarigen dit systeem al toepast. Toch zijn het vaak kinderen uit sociaal - economische zwakkere milieus die het minste deelnemen aan het kleuteronderwijs. Terwijl zij dit net het meeste nodig hebben. Het opbouwen van taalachterstand begint vaak vanaf zeer jonge leeftijd. Anderstalige leerlingen gaan vaak pas vanaf 6 jaar naar school. Hierdoor beginnen ze aan de lagere school met een te grote taalachterstand. Door kleuteronderwijs te verplichten vanaf 3 jaar komen anderstaligen veel sneller in contact met het Nederlands en zal de taalachterstand veel sneller weg gewerkt worden.

  17. Jong Groen pleit voor een geïntegreerde aanpak op het vlak van jeugdbeleid waarbij ook in andere beleidsdomeinen aandacht is voor jeugd.

    Beslissingen inzake cultuur en sport, maar ook inzake ruimtelijke ordening, milieu en openbare werken hebben immers een impact hebben op de levenssfeer van kinderen en jongeren. Op lokaal vlak moet het gemeentebestuur de jeugdraad dus ook over deze thema’s om advies vragen.

  18. Jong Groen vraagt een formele jongerentoets voor beleidsinitiatieven op alle niveaus.

    Op Vlaams niveau bestaat reeds de kinder‐ en jongeren‐effectrapportage (JoKER). Voor regelgeving die een impact heeft op kinderen en jongeren worden de effecten voor deze doelgroep in kaart gebracht. Jong Groen wil een gelijkaardig instrument introduceren op federaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Alleen zo zorg je voor een echte jongerenreflex bij beleidsmakers van andere sectoren.

  19. De lokale jeugdraad is en blijft het instrument om jongeren bij lokaal beleid te betrekken. Voor belangrijke dossiers en de opmaak van een jeugdbeleidsplan moeten zij geraadpleegd worden. De participatie van kinderen en jongeren moet geformaliseerd, verplicht en controleerbaar blijven.

  20. Voor Jong Groen moeten politici, het onderwijs, bedrijven en ouders de handen in elkaar slaan om verandering te brengen op het vlak van de consumentenbescherming van jongeren.

    Ouders moeten kinderen al snel leren hoe ze met een budget moeten omgaan. Zakgeld is daarvoor een nuttig instrument. Kinderen die regelmatig zakgeld krijgen, hebben immers een betere kennis van het omgaan met geld. Ook het onderwijs moet jongeren sensibiliseren omtrent aankopen en de daaraan verbonden risico’s. Dit moet al starten in de lagere school. Via het beheer van een klasbudget of schoolwinkels kan je deze sensibilisering aangenaam en concreet maken. In het secundair onderwijs moet elke leerling een basis van economische en financiële vorming genieten. Ook reclame‐educatie kan plaatsvinden op de schoolbanken.

    Op latere leeftijd moeten men ook aandacht hebben voor de elektronische handel (via internet en GSM) en de gevolgen daarvan. Bepaalde nieuwe GSM‐toepassingen stellen jongeren bloot aan risico’s op commerciële misbruiken of consumentenbedrog. Zo worden vele SMS‐diensten tegen een hoog tarief gefactureerd en blijkt de ontvangst van vervolg‐Sms’jes moeilijk te stoppen. Kinderen en jongeren krijgen per SMS ook reclameboodschappen. Vaak kan men dan bepaalde diensten betalen met belkrediet. Deze praktijken maken een betere bescherming van minderjarigen noodzakelijk. De huidige zelfregulering door de sector via gedragscodes gaat niet ver genoeg. Daarom moet er een wetgevend kader worden uitgewerkt.

    De jonge consument is ook steeds meer een online consument. Ze kopen en verkopen via het net. Vaak duiken er problemen op: producten die achteraf defect blijken of niet beantwoorden aan de beschrijving, gemanipuleerde verkopersprofielen en problemen met de levering of betaling. Jongeren zijn ook snel geneigd persoonlijke informatie door te geven. Ook inzake e‐commerce en online reclame is er dus dringend nood aan wetgevende initiatieven.

  21. Een speelweefsel in elke gemeente verbindt alle plaatsen waar kinderen en jongeren spelen, hangen of feesten.

    Kinderen en jongeren zijn vaak de meest actieve gebruikers van het publieke domein, en dat blijft niet beperkt tot de voorziene speeltuinen. Publieke. Vaak echter worden jongeren die buitenspelen als overlast gezien. Vaak komt dit omdat er in de gemeente maar onvoldoende open ruimte is om te zitten, recreatief te sporten en dergelijke meer.

    Met het inrichten van een speelweefsel verbind je alle plaatsen waar kinderen en jongeren elkaar ontmoeten. Op deze manier geef je deze plaatsen ook een echte waardering binnen je gemeente. Speelweefsel ontwikkelt zich niet alleen rond speelpleintjes en -hoekjes, skaterampen, jeugdhuizen, sportterreinen, fuifzalen en jeugdwerkinfrastructuur... maar omvat ook het voetpad, de straat, onbebouwde kavels, parkings, bossen, veldwegjes, beken en vijvers, duinen, ... Speelweefsel gaat over een integrale aanpak en moet vertrekken vanuit de belevingswereld van een kind en de leefwereld van jongeren. Daarom omvat speelweefsel niet enkel speelterreinen, speelhoekjes, skaterampen, jeugdhuizen, sportterreinen, fuifzalen en jeugdwerkinfrastructuur, maar ook de straat, onbebouwde kavels, parkings, bossen, veldwegjes, beken en vijvers, duinen, ...

    Speelweefsel is een samenhangend geheel van alle plaatsen die betekenis hebben voor kinderen en jongeren, zowel voor recreatie, verplaatsingen als ontmoeting. Kortom, plaatsen die ze gebruiken om te spelen, te bewegen, te sporten, te feesten, elkaar te ontmoeten, te babbelen, te stappen, te fietsen, rond te hangen en ervaringen op te doen... 

    De verbindingen tussen deze plekken moeten bovenal veilig en op maat van kinderen en jongeren zijn.

    Waarom is een speelweefsel voor gemeenten zo belangrijk? Ruimtelijke ordening moet immers bekeken worden vanuit de belevingswereld van het kind, de jongeren en de mensen die hun omkaderen. Een gemeente op kindermaat is een gemeente op mensenmaat.

  22. Overleg en bemiddeling i.p.v. geldboetes voor overlast

    Sinds enkele jaren bestaat het systeem van GAS: gemeentelijke administratieve sancties. Dit systeem is in het leven geroepen om vormen van overlast snel te kunnen aanpakken en te beboeten. Overtredingen als wildplassen, sluikstorten, betreden van privédomeinen, ... werden daarmee uit het reguliere strafrecht gehaald. Ook is het niet enkel de politie die kan beboeten, maar ook zogenaamde GAS-ambtenaren. Dit lijkt een handig instrument om overlast aan te pakken. Maar de GAS worden ook misbruikt om overlast van jongeren aan te pakken. Bovendien is overlast een rekbaar begrip waardoor jongeren vaak geviseerd worden en slachtoffer kunnen zijn van willekeur.

    Jong Groen wil dat het politiereglement duidelijk omschrijft wat overlast is en wat niet. Het geluid van spelende kinderen en jongeren hoort sowieso niet thuis in de categorie “overlast”. Daarnaast willen we goede samenwerking tussen buurt- en jongerenwerkers en de politie. De (wijk)politie krijgt vorming over rechten van kinderen en jongeren in de politiepraktijk. Jongeren zijn zich niet altijd bewust van de mogelijke overlast die ze veroorzaken. Daarom moeten overleg, duiding en bemiddeling altijd op de eerste plaats komen. Wanneer het nodig is het gedrag te bestraffen, gaat men op zoek naar een pedagogische sanctie die verband houdt met dat specifieke gedrag. Ook moet er oog zijn voor de sociale context en de leefwereld van de jongeren.

    De lokale overheid werkt dit beleid samen met de jeugdraad of een focusgroep van jongeren uit. Ook de rol en houding van de politie ten aanzien van jongeren moet hierin aandacht krijgen.

  23. Jongeren leggen zelf de basis voor een beter jeugdhuis

    Jeugdhuizen moeten in eerste instantie een plaats zijn waar jongeren elkaar kunnen ontmoeten, waar ze feesten en ontspannen en waar ze zelf de handen uit de mouwen kunnen steken.

    Een jeugdhuis moeten actief deel uitmaken van de wijk waarin ze gelegen zijn. Het bereikt de jongeren uit die wijk en liefst ook nog vele anderen.. De grens tussen producent (organisator, tapper, ...) en consument (iedereen die over de vloer komt,...) is er klein. Iedereen wordt er aangespoord om zelf het jeugdhuis vorm te geven.

    Met een enthousiaste ondersteuning vanuit de gemeente kan een jeugdhuis een sterke werking uitbouwen. De jeugddienst ondersteunt indien nodig de jeugdhuizen administratief en zorgt mee voor de promo. Eén persoon op de jeugddienst is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de jeugdhuizen. Met een subsidie worden jeugdhuizen aangezet om talent van eigen bodem een kans te geven op een podium.

    Een gemeente die haar jeugdhuis in haar hart draagt, zorgt ook voor een degelijke infrastructuur. Met steeds strengere normen voor geluid en brandveiligheid komen de jeugdhuizen vaak voor zware kosten te staan. Jeugdhuizen moeten hiervoor kunnen rekenen op gratis leningen vanuit de gemeente. Jeugdhuizen worden ook aangespoord om hun daken te verhuren voor producenten van zonne-energie of kunnen een renteloze lening krijgen om zelf zonnepanelen te plaatsen.

  24. Naar een jeugdwerk dat alle jongeren bereikt.

    Het sterk uitgebouwde verenigingsleven en jeugdwerk speelt een belangrijke rol in de maatschappij en in het leven van hun leden en deelnemers. Jong Groen gelooft in de kracht van vereniging en engagement.

    Traditionele jeugdbewegingen bereiken vaak niet alle kinderen en jongeren. Jong Groen vindt niet dat elke allochtone of maatschappelijk kwetsbare jongere naar de jeugdbeweging moét. Wel moet elke jongere in Vlaanderen de kans hebben om lid te zijn van een jeugdvereniging.

    Een gemeente werkt daarom een diversiteitsplan uit voor de jeugdsector, gebaseerd op twee pijlers: Het bestaande jeugdwerk geniet inhoudelijke en financiële ondersteuning voor de initiatieven die ze nemen om nieuwe kinderen en jongeren te betrekken. Subsidies houden geen rekening met het resultaat, maar wel met de inspanningen die de organisatie levert. Mogelijke inspanningen zijn het voeren van gerichte promotie in wijken, financiële steun voorzien om het lidmaatschap goedkoper te maken of het samenwerken met een school, met het buurtwerk of met andere jeugdwerkorganisaties.

    Specifieke jeugdwerkinitiatieven binnen de brede jeugdsector, zoals werkingen voor maatschappelijk kwetsbaren of zelforganisaties van allochtone jongeren, verdienen eenzelfde steun als het bestaande jeugdwerk. Het jeugdbeleid voorziet structurele middelen en dus niet enkel projectmatige ondersteuning. Waar nodig zijn er ook structurele middelen voor functies of activiteiten die het jeugdwerk overstijgen, zoals huiswerkbegeleiding.

    De grotere en traditionele jeugdverenigingen, zoals jeugdbeweging, jeugdhuis of speelplein gaan vaak met de meeste middelen lopen. Van de totale pot blijft niet altijd iets over voor de tweede pijler. Om dit te vermijden is het lokaal subsidiereglement transparant en voorziet het in voldoende middelen voor beide pijlers.

  25. Elke schepen moet een schepen van jeugd zijn.

    Jongeren zijn geen sector, wel een doelgroep. Het jeugdbeleid is meer dan een jeugdwerkbeleid. Daarin verschilt het jeugdbeleid van beleidsdomeinen als sport, cultuur of mobiliteit. Vandaag ontwerpt de gemeente voor elk domein apart een beleidsplan. Vanaf 2013 is er nog maar één plan: het strategisch meerjarenplan.

    Het jeugdbeleid moet ook in dat strategische plan een doelgroep beleid zijn en geen sectorbeleid. Een jongere is ook meer dan gewoon iemand die in de Chiro zit en naar een jeugdhuis gaat. Jongeren wonen, beleven cultuur, werken, sporten, verplaatsen zich, ...

    Een goed jeugdbeleid denkt over beleidsdomeinen heen. Jongeren spelen immers ook een belangrijke rol in het mobiliteitsbeleid, sociaal beleid, cultuurbeleid, tewerkstellingsbeleid, huisvestingsbeleid en ga zo nog maar even door. De schepen van Jeugd moet dit transversale beleid vorm geven.
    Bovendien moet elke schepen een schepen voor jeugd zijn en moet die een jongerenbril in zijn la hebben liggen om elk moment te kunnen opzetten.

  26. Jeugdbeleid over de gemeentegrenzen heen

    Jongeren kijken niet naar de gemeentegrenzen bij het uitgaan. Politici blijkbaar nog wel. Buurgemeenten consulteren elkaar niet bij het inrichten van evenementenhallen en fuifzalen of werken elkaar zelfs tegen om subsidies binnen te halen voor een jeugdhuis. Jongeren zijn enkel het slachtoffer van zo’n kortzichtig beleid.

    Wanneer gemeenten samenwerken binnen een structuur van stad- en streekgewesten kan een gemeenschappelijk beleid wel een antwoord bieden op de vraag van jongeren. Gemeenten investeren gemeenschappelijk in jeugdinfrastructuur en zorgen ervoor dat deze infrastructuur gemakkelijk bereikbaar is vanuit alle gemeenten.

  27. De steden voorzien – ook in de binnenstad – voldoende ruimte voor jeugdwerk en andere initiatieven van jongeren. Het gaat hier over jeugdlokalen, een fuifzaal en andere ontmoetingsplekken.

  28. De stedelijke overheden moeten het recht op hangen erkennen, ze moeten plaatsen voorzien waar jongeren kunnen samenkomen in de publieke ruimte.

    Bij problematisch gedrag moet in eerste instantie gekeken worden naar de actoren in de samenlevingsopbouw om deze problemen van ‘samen leven’ aan te pakken.

  29. Lokale jeugdraden moeten versterkt worden tot draaischijven van participatieprocessen in de stedelijke context.

    Daar moet de stad voldoende personeelstijd en middelen voor uittrekken. Daarnaast moeten de lokale bestuurders ook open staan voor de participatie van kinderen en jongeren.

  30. Jong Groen wil alle financiële stimuli die dienen voor jeugdwerkinfrastructuur samenbrengen.

    De middelen zijn gefragmenteerd en veel verenigingen die het nodig hebben kunnen er hierdoor niet van profiteren. Zowel de middelen die via het jeugdbeleidsplan, via de prioriteit als via het ‘fonds Anciaux’ verdeeld worden schieten te kort.

  31. Gemeenten moeten blijvend gestimuleerd worden om aan de jeugdwerkinfrastructuur op hun grondgebied te werken. Dit kan door de samengevoegde middelen volledig op te nemen in de subsidiëring via de gemeentelijke jeugdbeleidsplannen.

    De hele subsidiepot wordt zo groter en elke vereniging kan ervan profiteren. Binnen de gemeenten kan er in het jeugdbeleidsplan afgesproken worden welke lokalen eventueel voorrang krijgen op anderen.

  32. Om het administratieve en organisatorische werk van fuiforganisatoren te verminderen, pleit Jong Groen voor de algemene invoering van een feestloket per gemeente.

    Bij dit feestloket kunnen organisatoren terecht met alle vragen van organisatorische aard. Ze hoeven dan niet meer van de ene dienst naar de andere te lopen. Bij het feestloket krijgen ze alle nodige documenten in één keer.

    Die feestloketten kunnen ook een motor zijn voor het vergroenen van fuiven. Zo kan er gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke verlichting en herbruikbare bekers. Fuiforganisatoren die zulke initiatieven ontwikkelen moeten beloond worden met een steuntje in de rug, in de vorm van een subsidie. Ook bij het bouwen of verbouwen van fuifinfrastructuur verdienen duurzaamheidscriteria meer aandacht. Voldoende fietsenstallingen, betere isolatie en zuinige verwarminsinstallaties zijn hier goede voorbeelden van.

    Ook de veiligheid op fuiven is belangrijk. De lokale overheden moeten hiervoor een intensieve samenwerking aangaan met de fuiforganisatoren, de politie en andere veiligheidsdiensten. Er zijn gemeenten waar dit reeds gebeurt, maar dit overlegmodel zou overal gepromoot en toegepast moeten worden. Zo’n overleg is belangrijk: elke fuif is immers verschillend en vereist een andere aanpak. Door in dialoog te treden met organisatoren kunnen mogelijke problemen vooraf vermijden worden. Jong Groen houdt niet van al te strenge veiligheidsmaatregelen. Fuiven moet immers aangenaam blijven. Een beperkte aanwezigheid van fuifbuddy’s, politie‐ en andere veiligheidsdiensten bij grote en risicovolle fuiven is wel aangewezen.

  33. Jong Groen pleit voor drugstesten op festivals en andere grote events, waardoor bezoekers kunnen nagaan of hun drugs wel veilig zijn.

    Drugs en alcohol zijn van alle tijden en komen ook nu nog veel voor op optredens, festivals en fuiven. Een betuttelende of repressieve aanpak werkt vaak contraproductief. Een preventieve aanpak die jongeren op de gevaren wijst, is wel de juiste aanpak.

  34. Jong Groen wil niet alleen zoveel mogelijk mensen laten participeren aan cultuur, maar wil vooral dat iedereen de kans krijgt om in aanraking te komen met diverse cultuurvormen.

    Het is net het veelzijdige van cultuur dat een verrijking vormt. Dit doe je niet door een volledige vermarkting van de culturele sector en een afbouw van het subsidiebeleid waar de liberalen voor pleiten. Mocht je het liberale discours in de praktijk brengen, heb je binnen de kortste keren commerciële eenheidsworst.

  35. Jong Groen staat voor een cultuurbeleid waarbij de overheid zich niet moeit met de inhoud, maar een ondersteunend kader creëert met heldere criteria.

    Voor Jong Groen is cultuur geen waspoeder. Kunst en cultuur zijn te belangrijk om over te laten aan de grillen van de markt. Ze vervullen een essentiële rol in een levende democratie door een bijdrage te leveren tot de persoonlijke ontplooiing van elke mens. Kunst en cultuur zitten ingebed in emancipatie en burgerschap.

  36. Een cultuurbeleid dat oog heeft voor de vraag vertrekt uiteraard van onderuit, vertrekt uit wat leeft in buurten en wijken. Het huidige cultuurparticipatiebeleid vertrekt vanuit het aanbod. Jong Groen kiest voor een vraag gestuurd beleid.

    Wat leeft bij de mensen? Het zijn veelal de lokale initiatieven die erin slagen jong en oud, allochtoon en autochtoon samen te brengen. De overheid mag die initiatieven niet recupereren, niet inkapselen, maar ondersteunen en prikkelen waar nodig.

  37. Kwalitatieve sociaalartistieke praktijken, die zich specifiek richten op vergeten en kwetsbare groepen in de stad, moeten extra ondersteund worden.

    Het is die werkvorm en het zijn die werkingen die erin slagen doelgroepen te bereiken, die anders niet tot zeer moeilijk bereikt worden.

  38. Culturele centra zouden veel meer buurten en wijken moeten intrekken in plaats van te vertrekken uit hun infrastructuur.

    Naast het meer op locatie gaan, moeten culturele centra ook meer aandacht besteden aan lokale actoren. Zo kunnen de lokale jonge muzikanten in plaats van papa’s garage misschien eens spelen in de moderne, nieuwe architectuur van het Cultureel Centrum.

  39. Jong Groen wil een cultuurbeleid dat structureel aandacht besteedt aan beginnende muzikanten, acteurs of beeldende kunstenaars. Via een aanpassing aan het decreet Lokaal Cultuurbeleid, kunnen we steden en gemeenten stimuleren om aandacht te schenken aan die groep jongeren door hen fora te geven.

    Jong Groen wil het kunstenaarstalent (muzikanten, acteurs, beeldende kunstenaars…) zo goed mogelijk bijstaan in hun artistieke ontplooiing en in hun eventuele loopbaan. Daarom is het essentieel om podiumkansen te bieden aan beginnende artiesten.

  40. Jong Groen wil een muzieksubisidie voor de horeca en jeugdcentra in het leven roepen.

    Dit is een kleine financiële ondersteuning (100 euro per optreden) die de Vlaamse overheid geeft aan cafés en jeugdhuizen die beginnend talent een podium bieden. In ruil voor de subsidie moeten de uitbaters wel een kort verslagje maken van het optreden. Zo creëer je een interactieve website waar muziekliefhebbers het doen en laten van beloftevolle muziekgroepen kunnen volgen. Een gelijkaardige subsidie kan uitgewerkt worden voor kleine initiatieven die acteurs, klassieke muzikanten of beeldende kunstenaars uit hun zolderkamer halen en in de publieke ruimte brengen.

  41. Jong Groen pleit voor quota voor radiozenders in Vlaanderen. Hun muziekaanbod moet voor 40% bestaan uit muziek gemaakt in ons land.

  42. Jong Groen pleit voor een anti-trustbeleid.

    Cultuur mag nooit verworden tot handelswaar, maar met de opkomst van enkele grote mediaconcerns begint het er wel steeds meer op te lijken. Zowel de ticketverkoop, de boekingen als de programmering van vele muziekfestivals worden vaker gemonopoliseerd. Omdat de winstlogica bij deze multinationals voorop staat, krijgen jonge muziekgroepen steeds minder de kans om op te treden op grote festivals. Een bekende naam uit eigen huis is immers een veiligere investering. Jong Groen wil deze evolutie tegengaan door een anti‐trustbeleid dat deze concerns niet langer de markt laat beheersen.

  43. Jong Groen wil dat er opnieuw werk gemaakt wordt van het zogenaamde “Kunstenaarsstatuut”.

    Nadat de paars‐groene regering een eerste voorlopige regeling had uitgewerkt, ligt dit dossier sinds 2004 helemaal stil. Een degelijke ondersteuning van de vele duizenden mensen in de kunstensector die hierin werken, is echter aangewezen. Jong Groen wil dan ook dat de federale regering eindelijk weer werk maakt van dit dossier door de regeling te verfijnen en door het onderscheid tussen scheppende en uitvoerende kunstenaars definitief op te heffen.

  44. Een feestloket maakt het organiseren van fuiven en concerten gemakkelijker.

    Een feest organiseren is een hele opgave en vaak ontbreekt ondersteuning vanuit de gemeente. Of je nu een fuif, filmavond, optreden of een comedy night wil organiseren, er komt vaak zodanig veel papierwerk en geregel bij kijken dat je door de bomen het bos niet meer ziet.

    Jong Groen wil dat elke gemeente een feestloket inricht: een centrale plek waar je met al je vragen terecht kan en dat je ook door de papiermolen leidt. Je kan er ook terecht voor nuttige informatie zoals het gebruik van herbruikbare bekers, huren van tafels en podia, de gegevens van jonge dj’s uit de buurt, voorzieningen i.v.m. geluidsoverlast,...

    De medewerkers van het feestloket doen meer dan enkel de aanvraag verwerken en de nodige vergunningen en goedkeuringen afleveren. Ze begeleiden je ook in de zoektocht naar een zaal of terrein. De gemeente schaft geluids- en ander materiaal aan en verhuurt het via het feestloket. Bovendien kan je er terecht voor opleidingen om op een juiste wijze met dit materiaal om te gaan. Zo kan je er leren hoe je meetapparatuur moet gebruiken zodat je je aan de geluidsnormen kan houden.

    Bij het feestloket vind je informatie over auteursrechten en de medewerkers zetten je op weg het nodige hiervoor in orde te brengen. Je kan er ook terecht voor suggesties van lokale dj's of bands. Ten slotte helpen ze je bij het voeren van promotie en het opstellen van een vervoerplan dat nadenkt over de bereikbaarheid van je feest met fiets, openbaar vervoer en auto.

  45. Elke fuif heeft een vervoersplan waardoor jongeren zelfstandig en veilig thuis geraken

    Fuiven en concerten moeten vlot en veilig bereikbaar zijn zonder de auto. Zowel de ligging van de zaal of het terrein als de wegen er naartoe zijn dus uitermate belangrijk. Jeugdhuizen en zalen zijn strategisch ingepland en maken deel uit van het "speelweefsel" van de gemeente. Het best hebben deze een centrale en bereikbare ligging hebben in de gemeente. Het speelweefsel is een samenhangend geheel van alle plekken die betekenis hebben voor jongeren, zowel als verblijfs- of passageplek.

    Ook in het centrum van de stad of de gemeente moet er gefeest kunnen worden. Zo blijft het centrum van de gemeente ook ’s avonds levendig. Ook fuiven organiseren in een cultuurcentrum moet kunnen. Gemeenten ondersteunen financieel de geluidsisolatie van centraal gelegen zalen zodat feesten mogelijk is zonder dat omwonenden daar structureel hinder van ondervinden.

    Feestgangers en omwonenden gaan op voorhand in dialoog om overlast te vermijden. Wederzijds respect is hierbij het sleutelwoord. Overdreven aanwezigheid van veiligheidsdiensten is uit den boze.

    De gemeente stimuleert de organisatoren om een vervoersplan op te stellen. Hiervoor kunnen jongeren terecht bij het feestloket van de gemeente. Samen met het feestloket gaan de organisatoren na of hun evenement veilig en vlot bereikbaar is. Daaruit moet ook blijken of de locatie bereikbaar is met het openbaar vervoer. In het geval dat niet zo is, kunnen de organisatoren een aanvraag richten aan de gemeente om bijvoorbeeld een tijdelijk nachtbus in te leggen of collectieve taxi’s te voorzien. Organisatoren zetten hun gasten aan tot carpooling en bikepooling.

  46. Met een gratis lening moedigen we cafébazen aan hun achterzaaltjes opnieuw te doen bruisen.

    Plaatsen waar jongeren kunnen uitgaan, worden steeds schaarser. Nochtans hebben heel wat cafés een achterzaaltje waar zelden nog iets gebeurt. Deze zaaltjes met veel geschiedenis kunnen met de gepaste investering opnieuw beginnen bruisen.

    Caféhouders die hun achterzaaltje willen renoveren en nadien openstellen voor feesten en optredens, of er repetitieruimte van willen maken voor beginnende groepjes, moeten hierin ondersteund worden.

    Om in orde te zijn met de normen voor brandveiligheid en geluidsoverlast, moeten de eigenaars zware investeringen doen. Daarom schrijft de gemeente een gratis lening uit voor deze caféhouders. Zulke grote investeringen zijn voor cafébazen dus sneller rendabel én bovendien dienen ze een publieke functie, zonder dat de gemeente hier zelf zware inspanningen voor moet doen.

    De gemeente bepaalt evenwel de voorwaarden voor deze lening. Zolang de eigenaar de lening afbetaalt, moet deze ruimte dienen als fuif, repetitie- en/of concertzaal.

  47. Muzieksubsidie creëert podiumkansen

    Gemeenten barsten van het jong talent maar vaak zijn er te weinig mogelijkheden om die talenten te ontplooien. Jong Groen wil dat de gemeenten muzikale jongeren een duwtje in de rug geven door hen extra podiumkansen te geven.

    Hiervoor vaardigt de gemeente een bescheiden subsidie uit (ongeveer 100 EUR) aan cafés en jeugdhuizen die een lokale band op de affiche zetten. Ook kan geluidsmateriaal aan een reductietarief uitgeleend worden. Dit materiaal is beschikbaar aan het feestloket. Aan de subsidie zijn wel voorwaarden verbonden: zo moet de organisator promotie voeren voor het optreden en moet de toegang gratis blijven. Zo krijgen de lokale bands maximaal de kans om op te treden voor een breed publiek.

  48. Kleur in het cultuurbeleid

    Jong Groen wil dat projecten die nieuwe doelgroepen betrekken en kansen geven in het cultuurbeleid sterk aangemoedigd en ondersteund worden.

    Cultuur werkt voor iedereen emanciperend. Maar het moet ook iedereen kunnen aanspreken. Door doelgroepgericht te werken creëer je kansen. Het is aan het gemeentebestuur om de vele verenigingen die er zijn die kansen aan te reiken en ze daarbij volop te ondersteunen.

    Zo zouden toneelverenigingen begeleid door personeel van het rusthuis toneel met rusthuisbewoners kunnen opzetten. De lokale dansschool kan een optreden in én met een sociale wijk doen. Fanfares en jeugdbewegingen kunnen elkaar gebruiken voor opvallende en creatieve stoeten doorheen dorp en stad. De gemeente moedigt dit aan met een kleine subsidie en ondersteunt het project door sociaal-cultureel werkers ter beschikking te stellen.

  49. Geef jongeren een podium voor hun talenten

    Cultuur is maar zo breed als je het zelf maakt. Beweer je dat jongeren niet met cultuur bezig zijn, heb je het goed mis. Ook de gemeenten moeten die blik durven verruimen en de creativiteit van haar jongeren naar waarde schatten.

    Projecten als “Alles Kan” in Gent of “Pierced” in Beersel geven jongeren de kans hun talent te verdiepen door professionele begeleiding en geven deze talenten nadien een podium. Zulke projecten verdienen navolging.

    Maar gemeenten moeten ook meer durven doen. Laat jongeren met passie voor kunst het zoveelste rondpunt in de gemeente zelf inrichten. Laat jongeren met talent voor webdesign de website van de gemeente ontwerpen. Jongeren met dj-talent kunnen de nieuwjaarsreceptie van de gemeente opluisteren. Schrijf fotografieprojecten uit waarmee jongeren hun blik op de gemeente zelf in beeld brengen. Speelpleinen, jeugdbewegingen, en jeugdhuizen kunnen best een muur waarop met graffiti geëxperimenteerd kan worden, gebruiken. Jongeren zijn vaak met geweldige dingen bezig, de gemeente moet dat willen zien en dat een forum geven in het openbare leven.

  50. Een gezonde geest in een gezond lichaam. Naast de cultuur van podiumkunsten en musea moet ook sportcultuur een wezenlijk onderdeel zijn het beleid.

    Jongeren zijn nu niet fit, althans niet fit genoeg. Meerdere onderzoeken tonen aan dat het met de conditie van de jeugd erbarmelijk gesteld is. Omdat ongezonde kinderen uiteindelijk zullen resulteren in een ongezonde samenleving, moeten we het probleem bij de wortel aanpakken. Ongezonde kinderen betekenen een grote hypotheek op onze toekomst: zij zullen later bijvoorbeeld vaker ziek zijn, en de staat een pak extra geld kosten.

    Daarom vind Jong Groen dat we proactief moeten optreden. Het beoefenen van een sport moet aantrekkelijker gemaakt worden en kleine kinderen moeten de kans krijgen om uit een rijk aanbod van sporten te kunnen kiezen. Daarom moeten kinderen – bij voorkeur via de school – kennismaken met verschillende disciplines, om te vermijden dat ze van “de mama of de papa” moeten gaan voetballen of zwemmen, iets wat ze zelf helemaal niet zien zitten. Kinderen moeten zélf kunnen kiezen.

    Sportclubs zijn een geweldig middel om mensen te laten sporten. In groep hebben sommige mensen nu eenmaal minder de neiging om te stoppen, bovendien, door sportinfrastructuur op grotere schaal te kunnen aanbieden, kan men in een sportclub de kosten drukken van bv veldhuur. Via een sportclub kan men eveneens gemakkelijker verzekeringen regelen.

    Enkel voordelen dus. Maar … sportclubs kunnen ook hun nadelen hebben, zo kan hun inschrijvingsgeld te duur zijn of laten ze slechts één geslacht toe (bv. sommige schermclubs) of zijn ze te elitair of doen ze aan sporten die niet gekend zijn.

    Daarom pleiten wij voor:

    - Een jaarlijkse brochure aan het begin van het schooljaar met alle mogelijke sportclubs in de omgeving van stad of gemeente. Hierbij moeten ook de clubs worden gedrukt die niet uitgaan van de stad of gemeente.
    - Een sportclub moet voor iedereen (jongen-meisje/allochtoon-autochtoon/Franstalig- Nederlandstalig/LGBTQIA+-hetero …) openstaan. Clubs die hiertegen zondigen moeten worden gestraft met intrekking van hun vergunning. Een sportclub moet in zijn programma eveneens een doelgroepenbeleid ontwikkelen om meer jongeren bij hun werking te betrekken.
    - Het inschrijvingsgeld moet worden laag gehouden. Verzekering mag geen excuus zijn om de prijs kunstmatig duur te houden.
    - Clubs die sport aanbieden aan jongeren moeten een gunsttarief krijgen bij huur zaal/materiaal van de steden en gemeenten.

    De individuele sporter is een geval apart. Niet ingeschreven in een club en dus niet verzekerd zijn, maakt het soms gevaarlijk sporten. Maar dit wil niet zeggen dat zij mogen vergeten worden in het sportbeleid, iets wat nu vaak gebeurd!

    Wij pleiten voor:

    -De gemeenten/steden/Vlaamse overheid moeten infrastructuur ter beschikking stellen aan de individuele sporter aan een schappelijke prijs.
    -Deze infrastructuur moet worden onderhouden (vb Finse looppistes die niet goed gedraineerd worden zorgen voor meer blessures dan geen looppiste)
    -Waterlopen, lange lanen, … moeten worden “geprepareerd” om sporten mogelijk te maken. We denken hieraan in het bijzonder aan het aanleggen van looppistes en fietspaden.
    -In Vlaanderen zijn er te weinig wielerpistes. Deze moeten op verschillende plaatsen in het landsgedeelte worden opgericht.
    -Een sportverzekering voor de individuele sporter. Eénmaal per jaar te betalen en zo is die persoon verzekerd voor ongevallen en blessures.
    -Uitbreiding van het aantal terugbetaalde kiné-beurten.
    -Daarnaast moet sporten ook aangemoedigd worden via sportcheques voor de jeugd. Niet enkel sportcheques voor de klassieke sporten, maar ook de minder voor de hand liggende sporten moeten hierin aan bod komen. Zo zou iedere stad of gemeente jaarlijks een boekje met 10 bonnen gratis aan iedere -18-jarige kunnen geven. Iedere bon geeft recht op een gratis sportbeurt bij een bepaalde instelling. (cf. cultuurcheques)

    Schoolsporten: Kleine kinderen moet je niet aanzetten om te sporten of rond te huppelen. Zij verleren echter vaak het bewegen op school. Kinderen krijgen schrik of zelfs een afkeer van sport door de turnlessen op school. Het aanbod kan veel diverser en mag ook serieus worden uitgebreid.

    In de lagere en middelbare school zouden kinderen in aanraking moeten komen met een zo breed spectrum van sport, aangepast aan hun gestel. Het aantal “turnuren” moet worden uitgebreid naar 6 uren. In de lagere en middelbare scholen moet men tevens de turnzalen onder de middag openstellen voor sportactiviteiten.

    Sportdagen zijn eveneens heel belangrijk. Vaak organiseert men er slechts één per jaar. Ook dit aantal moet worden uitgebreid tot minstens één per trimester. In de zomer kan men dan bv andere sporten aanpakken dan in de winter. Het aanbod moet ook divers zijn. Sportdagen waarin de leerlingen geteisterd worden met voetbal, minivoetbal en bal gevoel trainingen, doen de aversie enkel maar toenemen. In het middelbaar onderwijs moet er naast de klassieke cultuurreizen naar Rome, Parijs, Berlijn en Londen ook plaats zijn voor een sportreis waarin de leerlingen volledig kunnen ondergedompeld worden in allerlei sporten, en vooral teambuilding kunnen ervaren. We hopen dat elk kind op deze manier zijn weg vindt naar een sport die ze ook na hun schoolloopbaan met plezier blijven beoefenen.

    En tot slot willen we een lans breken om het geld dat naar het sportbeleid gaat beter te verdelen. Momenteel wordt er heel veel geld gepompt in een sport die zich vooral richt op één enkele doelgroep en die dus veel te elitair is. Dames en heren politiekers: niet alleen voetbal is koning.

  51. Studeren moet financieel haalbaar zijn.

    Het vaste studiebedrag dat elke student betaalt moet op het huidige bedrag van €61,9 blijven liggen, ongeacht het aantal studiepunten. Zo wordt de kost van studeren ook over een langere periode draaglijk.

    Het inschrijvingsgeld mag enkel worden verhoogd als die verhoging rechtstreeks de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. Ook het beurssysteem zou moeten worden aangepast. Op dit moment hebben we slechts drie categorieën in ons beurssysteem. Daardoor verdienen veel gezinnen net dat beetje te veel om een beurs te ontvangen. Om het systeem eerlijker te maken, moeten we gaan naar een meer geleidelijke schaal. Bovendien zou een studiebeurs voor een tweede master mogelijk moeten zijn.

    Onbetaalbaar denk je? Ook daarop heeft Jong Groen een antwoord klaar. Bijvoorbeeld met de invoering van een financiële transactietaks en een vermogenswinstbelasting.

  52. Kinderen, jongeren en leerkrachten mogen op school meerdere talen spreken, zowel in de klas als op de speelplaats. Om het onderwijs te faciliteren wordt er in afgesproken talen onderwezen.

  53. Er moet meer aandacht komen voor logica en kritische zin in het basisonderwijs.

    Een redenering opbouwen en zien waar de denkfouten zitten in een redenering van een ander, zijn zeer nuttige kwaliteiten in het leven. Dit hoort zijn luxe te zijn voor de leerlingen die retoriek krijgen bij theoretische opleidingen in het middelbaar. Het is een basisvaardigheid die kinderen van jongs af aan moeten leren om later kritische burgers te worden die zelf hun stem durven/kunnen laten horen. Concreet betekent dit dat alle kinderen een hoofdstuk zouden moeten krijgen over de verschillende ‘drogredenen’ en de basis van syllogistiek: ‘Als A dan B, als B dan C dus Als A dan C’. Deze vaardigheden komen ook aan bod in het secundaire onderwijs.

    Een redenering opbouwen en denkfouten kunnen opmerken zijn belangrijke vaardigheden in het leven. Indien we deze belangrijke vaardigheden al van in de basisschool aanleren, kunnen we ervoor zorgen dat drogredenen sneller worden ontmaskerd en zo het politiek debat verschuiven richting rationele argumentatie.

  54. Arabische lessen op school.

    Veel ouders sturen hun kinderen naar een weekendschool of de koranschool om hen Arabisch aan te leren. Dit doen ze omdat dit de enige plek is waar kinderen Arabisch kunnen leren. Dit is een vorm van totaal ongereguleerd onderwijs waar noch de kwaliteit, noch de inhoud van het onderwijs vastligt. Niemand weet hoeveel kinderen er naartoe gaan, wat ze leren, wat het niveau is, of het “gematigd of radicaal”. Door naschoolse Arabische lessen aan te bieden op school, creëer je concurrentie en garandeer je een kwalitatief leertraject. De VUB (Brussel) en het CLT (Leuven) bieden nu voor het eerst Arabisch voor kinderen aan, en de lessen zitten vol. Middelbare scholen kunnen dit ook doen.

  55. Er moeten genderquota komen voor docenten aan de Vlaamse hogescholen en universiteiten.

    Vrouwen en niet-mannen sijpelen topfuncties binnen, maar een volledig gelijke verdeling duurt op een organische manier nog minstens een generatie. Om een genderevenwicht in de Vlaamse hogescholen en universiteiten te bereiken volgen we het standpunt van Caroline Pauwels, de rector aan de VUB. Zij geeft de richtlijn om minstens ⅓ vrouwelijke* docenten als personeel aan te werven. Die richtlijn willen wij omzetten in een afdwingbare en algemene regel die geldt voor alle universiteiten en hogescholen.

    Deze quota kunnen dwingend werken om verder te kijken dan de neus lang is, en bewust op zoek te gaan naar mensen buiten het eigen netwerk, of verder dan de ‘usual suspects’. Het einddoel is hier het automatisme doorbreken om zo een nieuwe - meer gebalanceerde- dynamiek op gang te brengen.

  56. Scholen bieden dagelijks gratis een evenwichtige, lokale en ecologische hoofdmaaltijd aan. De overheid verleent daartoe een subsidie aan de scholen.

    Schoolmaaltijden hebben niet alleen een directe impact op het welzijn van de kinderen. Door ze lokaal, ecologisch en fair te produceren, kunnen schoolmaaltijden ook een enorme boost geven aan lokale ondernemers in de landbouw, catering en logistiek.

  57. Scholen bieden gratis & lokaal fruit aan tijdens de pauze.

  58. Investeer in de groei van de volgende generaties.

    Binnen de vijf jaar stapt 22 procent van de jonge leerkrachten uit het onderwijs. Tegen 2022 hebben we zo’n 17.000 leerkrachten te kort. De huidige regering tracht de loopbaan aantrekkelijker te maken en voor loopbaanbegeleiding te zorgen. Daar stoppen de inspanningen, en structureel is er nog steeds niets veranderd. Jonge gemotiveerde leerkrachten zijn niet in het onderwijs gestapt omdat ze veel geld willen verdienen of omdat ze graag vroeg op pensioen willen gaan. De keuze om zich dag in dag uit in te zetten voor jongeren en te investeren in toekomstige generaties is niet vanzelfsprekend. Het is een bewijs van een sterk maatschappelijk engagement.

    Wanneer deze jonge doeners de eerste stappen zetten in het onderwijs wordt hen al snel duidelijk gemaakt dat de realiteit niet strookt met hun maatschappelijk engagement. Ze krijgen te maken met verschillende barrières die er voor zorgen dat hun kerntaak; jongeren motiveren om het beste uit zichzelf te halen, naar de achtergrond verdwijnt. De eerste jaren bestaan uit een heen-en-weer geloop tussen verschillende interim jobs. Één maand in Gent les geven en vervolgens alles achterlaten wat ze daar hebben opgebouwd om drie maanden in Sint-Niklaas te onderwijzen. Daarbij moet de jonge leerkracht flexibel zijn en zich steeds opnieuw aanpassen aan een andere schoolcontext. Wanneer leerkrachten dan eindelijk een plek hebben gevonden waar ze zich echt thuis voelen is er voor hen geen plaats. Er is namelijk al een vast benoemde leerkracht voor het vak, een leerkracht die negatief werd geëvolueerd. Dit systeem is een gouden kooi die ervoor zorgt dat veel talent verloren gaat.

    Onderwijs wordt door verschillende politici aangewezen als één van de kernfactoren van maatschappelijke problemen, zoals criminaliteit, armoede, extremistisch gedachtegoed enzovoort. Is het dan wel zo verstandig om de investeringen in dit beleidsdomein te minimaliseren?

    Gelukkige leerkrachten zorgen voor gelukkige jongeren. Groen kan startende leerkrachten gelukkig maken door:

    1. Één jaar werkzekerheid te garanderen voor beginnende leerkrachten en tegelijkertijd een strengere evaluatie te verplichten voor vast benoemde leerkrachten.
    2. Structurele en psychologische ondersteuning van beginnende leerkrachten te faciliteren door de verplichte aanstelling van een ervaren ondersteuningsfiguur binnen de scholen.
    3. De onderwijsinspectie de opdracht te geven om vooral te focussen op de schoolcultuur en de ondersteuning van beginnende leerkrachten.
    4. De kwaliteit van de instructie te garanderen door de administratieve taken te beperken. De over bureaucratisering van het onderwijs, met als doel de controle te behouden over de kwaliteit van ons onderwijs, zorgt op microniveau voor minder kwaliteit. Door de planlast kan de leraar zich niet bezig houden met de kerntaken
    5. Het verplichten van interstedelijke schoolgemeenschappen om zo een stabielere werkomgeving te creëren.

  59. Tegen onbetaalde stages.

    Onbetaalde stages buiten een opleiding zijn een groot probleem op de arbeidsmarkt. Meer en meer bedrijven en instituten schakelen jongeren in voor gratis arbeid, wat ten koste gaat van instapjobs.

    Jong Groen vindt dat een stage thuishoort IN een opleiding, niet daarbuiten. Een stage is een leerproces en moet plaatsvinden aan de hand van duidelijk vastgestelde regels, in samenspraak met een erkend opleidingsinstituut. Dit opdat de stagiair geïnformeerd wordt over zijn rechten en via de school een bescherming heeft bij misbruik. Indien hier buiten gewerkt wordt, omdat er bv. geen opleiding voorzien is of de jongere zich wil omscholen in een bedrijf zelf, moet deze stage een minimum aan sociale bescherming bevatten (arbeidsongevallenverzekering, transportonkostenvergoeding, ...) betaald worden en aangegeven bij de VDAB, opdat de jongere in elk geval bescherming heeft tegen uitbuiting.

  60. Gender in het onderwijs.

    De Vlaamse overheid gaat na hoe gender en seksualiteit vandaag in het onderwijs aan onze jeugd aangeleerd wordt en welke vooroordelen doorgegeven worden. Op basis daarvan stelt ze nieuwe onderwijsrichtlijnen op die bijdragen aan een genderneutrale en respectvolle maatschappij, inclusief in het seksuele domein. In die richtlijnen wordt werken rond stereotypering vanaf de kleuterschool opgenomen.

  61. Creativiteit op school

    Stilzitten en staren naar een leerkracht = geen onderwijs voor de 21e eeuw! Kinderen die nu naar school gaan, gaan met pensioen in 2065. Weet jij hoe de wereld er dan uit zal zien? Ik niet! Maar in een tijd waar jobs verdwijnen of overlappen hebben we CREATIEVE en ONDERNEMENDE jongeren nodig!




 

Overzicht van alle standpunten van Jong Groen per thema:

armoedebestrijding en leefomstandighedendeMOcratie en staatsstructuureuropa en internationale politiekgender en diversiteitENergieLokaalMIgratiemilieu en klimaatonderwijs, jeugd en vrijetijdsbestedingvoedselsystemenwelzijn en samenlevenwerk en economiemobiliteitinterne richtlijnen

 

Check hier de standpuntenbundel met alle standpunten van Jong Groen.
(pdf, laatste update Amendementencongres 2021)


Word 'standpuntenliefhebber' bij Jong Groen

Als standpuntenliefhebber werk je mee aan het opstellen van nieuwe standpunten die ter goedkeuring worden voorgesteld aan leden. Je denkt mee na over wat we doen met de huidige standpunten of over hoe we leden meer kunnen betrekken bij het stemmen van onze standpunten via e-democracy. Je bent ook zeker welkom als je mee wil werken aan de voorbereiding van ons congres of gewoon heel wat wil opsteken over Jong Groen standpunten.

Check hier de vrijwilligersvacature en ... doe mee!

 

Contact

Kilian Vandenhirtz

bestuurslid Basisdemocratie & Standpuntenbepaling
[email protected]

 


Paola Travella

covoorzitster Jong Groen (perscontact)
[email protected]

#detoekomstisvanons