Meertaligheid in de praktijk

Volgens schepen Elke Decruynaere bestaat er in steden zoals Brussel en Antwerpen interesse in het Gentse proefproject ‘Thuistaal binnen onderwijs en opvang’. Onze redactie trok naar Antwerpen en sprak met Jeroen Verhaert, een 31-jarige leerkracht, over de lokale stand van zaken.


Naam: Jeroen Verhaert
School/Jaren/Richtingen: Stedelijk Lyceum Quellin.Verschillende groepen van de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (OKAN)
Duurtijd loopbaan: 5 jaar in verschillende scholen
Aantal leerlingen met anderstalige achtergrond op huidige school: In OKAN 100%,
in secundair 80% à 90%


Klopt het dat een dergelijk project ook in Antwerpen van nut kan zijn?

Zeker. Antwerpen staat na Rotterdam op de tweede plaats wat betreft het aantal verschillende culturen in één stad, en dus vóór miljoenensteden zoals New York. Heel veel leerlingen spreken een andere taal thuis, en dat is zeker niet alleen Frans, Turks of Arabisch.

Is die meertaligheid een troef, zoals Sara Gielen zegt?

Uiteraard is de aanwezigheid van verschillende talen een absoluut pluspunt, maar het brengt wel heel wat spanningen met zich mee. Het zou gemakkelijker zijn als iedereen dezelfde taal zou spreken. Maar meertaligheid is nu eenmaal een feit, en daar moeten we zo goed mogelijk mee omspringen. Het is de plicht van het onderwijs, en bij uitbreiding van heel de maatschappij, om positief om te gaan met de verschillen die er zijn in de klas.

Wat maakt dit project in het bijzonder dan interessant?

Voor leerlingen die niet snel een taal opnemen, is het belangrijk hen ook in de eigen taal te laten werken. Een klassieke schoolse benadering van enkel intensief Nederlands spreken en leren, heeft weinig zin. Via projecten en lessen waarin de taal minder centraal staat (sport, crea, koken …) leren ze vaak even veel Nederlands als in de klas. Op mijn school vragen we soms aan de leerlingen om iets naar hun moedertaal te vertalen. Bovendien organiseren we één keer per jaar een taal- en cultuurdag. Leerlingen met dezelfde moedertaal zitten dan tijdens enkele lesuren samen om de dag voor te bereiden. Dat mag in hun moedertaal, maar de presentatie gebeurt in het Nederlands.

De metafoor van het taalzwembad die Piet Van Avermaet gebruikt is dus toepasselijk?

Dat is zeker het geval. Sommige leerlingen leren heel snel Nederlands omdat ze een goede opleiding hebben genoten in hun thuisland, een groot taalgevoel hebben of een familielid hebben waarmee ze Nederlands kunnen spreken. Maar niet iedereen neemt een nieuwe taal vlot op. In dat geval is het interessant om hen te laten baden zodat ze stelselmatig hun plan leren trekken in het Nederlands. In de verschillende scholen waar ik al les heb gegeven, merkte ik dat sommige leerkrachten geen rekening hielden met fouten tegen het Nederlands, behalve bij het vak Nederlands uiteraard. Zo krijgen anderstalig opgevoede leerlingen een eerlijke kans om af te studeren. Helaas is dat niet altijd het geval. Nog te vaak krijgen anderstalig opgevoede leerlingen niet de kansen die ze verdienen. Velen van hen worden meegezogen in het watervalsysteem door misvattingen. Zo wordt niet altijd begrepen dat de fouten op hun testen eerder te wijten zijn aan het niet begrijpen van de vraag in plaats van het niet kennen van een antwoord. Daarin heeft het onderwijs nog heel wat werk voor de boeg.

Voor welke andere talige uitdagingen staat ons onderwijs nog?

De grootste uitdaging is het realiseren van gelijke kansen. In een stad zoals Antwerpen, waar leerlingen met totaal verschillende achtergronden samenkomen, werkt het huidige onderwijssysteem niet meer efficiënt. Meer dan ooit moeten leerlingen individueel begeleid kunnen worden. Het kan niet dat leerlingen die niet volmondig Nederlands spreken al op voorhand hun toekomst verliezen. Natuurlijk is er tijd en geld nodig om hervormingen door te voeren. Maar aangezien de jeugd de fundering van de maatschappij is, mogen we er niet voor terugdeinzen.

Auteur: Femke Meeusen