De kwaliteit van werk (en vrije tijd)

Werkbaar werk en de 30-urenweek als interessante pistes

Onze job vult een groot deel van ons leven in. Voor wie er geen heeft, creëert het een afwezigheid waarmee het niet altijd even eenvoudig omgaan is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de recente debatten over de kwaliteit van werk, zoals dat over werkbaar werk en het idee van de 30-urenweek, op veel belangstelling kunnen rekenen.

Wie de laatste maanden de kranten erop na sloeg, liep grote kans om op één van de volgende begrippen te stuiten: indexsprong, economische groei, loonkosthandicap, enzovoort. Dagen, weken en maanden werden we inzake werk en economie beziggehouden met deze eerder kwantitatieve aangelegenheden. De financierbaarheid van de sociale zekerheid kwam vanuit deze kwan­titatieve insteek centraal te staan in het politieke debat. Langer werken en een indexsprong zijn maar twee van de vele besparingsmaatregelen die de federale regering trof. Na maanden discussie hierover verschoof de aandacht recent naar de kwalitatieve kant van de zaak. Naast de tax shift doken nu ook werkbaar werk en (in mindere mate) de 30-urenweek op.

Werk en economie zijn niet alleen een kwantitatief en financieel gegeven. Ze zijn ook ten zeerste verbonden met onze levenskwaliteit. We moeten ons dan ook vragen stellen bij de impact die de organisatie van werk heeft op ons welbevinden op het werk en in de vrije tijd. Het financiële kan natuurlijk niet verwaarloosd worden, ‘er moet brood op de plank komen’. Toch wordt financieel realisme nog te vaak ingeroepen als excuus om niet verder na te denken over andere orga­nisatievormen van werk en economie. De vraag hoe het nog gaat met al die werkende mensen in hun job en wat ze van die job vinden, bijvoorbeeld, komt niet aan bod bij een louter kwantita­tieve kijk. In het licht van het langer werken, is het bovendien opvallend dat slechts 1 op de 20 Belgen het (momenteel) ziet zitten om tot 67 jaar te werken. De huidige discussies rond werkbaar werk en de 30-urenweek, die ook kwalitatief naar werk kijken, stellen deze vragen wel.

WERKBAAR WERK

Eén van de initiatieven rond de kwaliteit van werk in Vlaanderen is dat van ‘Werkbaar werk’. Opdat een job werkbaar kan worden genoemd, moet ze voldoen aan vier voorwaarden. De werknemer of zelfstandige onder­nemer beschikt in dat geval over voldoende leerkansen op het werk, is gemotiveerd, is niet problematisch psychisch vermoeid ten gevolge van het werk en de verhouding tussen werk en privé is in balans. Sinds 2004 brengt de Stichting Innovatie & Arbeid de werkbaarheid van de jobs in Vlaanderen in kaart. Op basis van de survey van 2013 oefent slechts 54,6 % van de werknemers en 51,4 % van de zelfstandige ondernemers in Vlaanderen een job uit die ‘werkbaar’ is.

Het doel van de Vlaamse overheid is om tegen 2020 het aandeel werkbare jobs voor werknemers op 60 % te brengen. Voor zelfstandige ondernemers ligt de lat op 55 %. Met een stijging in de werkbaarheidsgraad van 2,3 % tussen 2004 en 2013 bij de werknemers en 3,7 % tussen 2007 en 2013 bij de zelfstandige ondernemers kan je je afvragen of we wel op de goede weg zijn. Los daarvan zou het doel altijd 100 % werkbare jobs moeten zijn, toch?

Ook Groen is zich bewust van deze problematiek en wil inzetten op meer werkbaar werk. Aan de vooravond van 1 mei pleitte Groen-voorzitster Meyrem Almaci voor een actieplan rond werkbaar werk. Dat plan moet stress en burn-out op het werk trachten te voorkomen. Een belangrijk instrument hiervoor ziet zij in de Work Ability Index die de werkbaarheid zou monitoren en moet toelaten om in te grijpen daar waar het mis dreigt te gaan. Groen is ervan overtuigd dat te veel mensen uit de boot vallen, onder andere met burn-out, omwille van stresserende omstandigheden op het werk. Op een volledige loopbaan bekeken zou 20 % van de werknemers geconfronteerd worden met een burn-out. Dat tast niet alleen het welzijn van mensen en de gezinnen aan, er is ook een grote financiële kost aan dit fenomeen voor de bedrijven, stelt Groen. Om in de toekomst met ‘een onderbouwd en doordacht beleidsalternatief’ te kunnen komen, organiseerde Groen op 28 april een expertencommissie rond werkbaar werk. Meer concrete voorstellen zullen dus volgen.

DE 30-URENWEEK

Een ander voorstel waarmee de kwaliteit van arbeid en de levens-kwaliteit in het algemeen kan worden aangepakt, is dat van de 30-uren­week. Hevige voorstanders in het huidige debat van de 30-urenweek zijn de vrouwenorganisatie Femma en de politieke partij PVDA. Femma wijst ons erop dat met dit voorstel boven­dien ook heel wat te doen valt aan de gendergelijkheid op het gebied van werk en aan de klimaatproblematiek. Groen pleit al langer voor een arbeids­duurvermindering tot eventueel 30 of 32 uren. Het was onder andere Mieke Vogels die al jaren terug met dit idee op de proppen kwam.

De 30-urenweek kadert in de traditie van eisen tot arbeidsduurverminde­ring. Stel je voor, aan het begin van de 20ste eeuw bestond een werkdag uit ongeveer 10 uur en werkten werknemers 6 dagen op 7. In 1921 werd in België de 8-urige werkdag ingevoerd en werkte men 48 uren per week. In 2003 werd de 38-urenweek ingevoerd.

Waarom zou het dan nu tijd zijn voor de 30-urenweek? Wel, een 30-urige werkweek geeft, ten eerste, meer ademruimte om een job en zorg beter te combineren, aldus Femma. De werkbaarheidsmonitor van 2013 geeft aan dat voor bijna 11 % van de werknemers in Vlaanderen de balans hierin problematisch is. Bij deze maatregel zouden vrouwen nog meer gebaat zijn dan mannen. Nu zijn het namelijk vooral vrouwen die een stap terug zetten in hun professionele car­rière om meer zorgende taken op zich te nemen. Deeltijds gaan werken of gebruik maken van tijdskrediet wordt nog steeds vooral door vrouwen gedaan. Hetgeen grote gevolgen heeft op het gebied van de loonkloof, pensioenkloof en carrièrekansen. Een algemene norm van 30 uur instel­len zou ervoor zorgen dat veel vrouwen niet deeltijds hoeven te gaan werken.

Op die manier worden ook depressie en stress aangepakt. Femma verwijst naar onderzoeken die aantonen dat wanneer taken in de vrije tijd onder druk komen te staan vanuit het werk, de kans op depressie en stress toeneemt. Bovendien geeft het mensen de kans om in hun vrije tijd meer kwaliteitsvolle relaties met familie, kinderen, vrienden en buren te onderhouden.

Nog een belangrijk punt dat naar voren geschoven wordt, is de her­verdeling van werk. Die herverdeling zou voor meer jobs kunnen zorgen. Doordat de groep van actieven wat minder gaat werken zou er werk ontstaan voor diegenen zonder werk. Zo eenvoudig is het echter niet. Werk is niet zomaar deelbaar, stelt denktank Poliargus. Studies tonen echter aan dat een arbeidsduurver­mindering die met deze complexiteit rekening houdt, wel degelijk kan bijdragen tot extra werkgelegenheid, aldus nog Poliargus.

Tot slot zijn er ook de voordelen op het gebied van het klimaat. Een vermindering in het aantal loonarbeidsuren leidt namelijk tot een lagere CO2-uitstoot. Bij een daling van het jaarlijks aantal loonarbeidsuren met 10 % zou de CO2-uitstoot met 15 % zakken. Eén van de redenen hiervoor is dat wanneer mensen meer tijd hebben, ze minder zoeken naar middelen die tijdsbesparend zijn zoals de wagen, kant-en-klare maaltijden, sterk voorverpakte voeding, elektri­sche apparaten, enzovoorts.

MINDER WERKEN, KAN DAT WEL?

Een vaak gehoorde kritiek op het voorstel van de 30-urenweek is dat het onbetaalbaar is. Een 30-urenweek met loonbehoud zou het uurloon sterk doen stijgen. Op die manier concurreren we ons uit de markt en laat het nu net dat zijn wat de huidige regeringen willen tegengaan via de loonlastenverlagingen. Er is echter meer keuzevrijheid dan dat.

Om dit te zien, is het nodig de volgende redenering te volgen. De welvaart die wij allen samen in ons land produceren, kan worden omgezet op drie manieren: in winst voor de organisatie, in loon voor de werknemer of in tijd. Die eerste twee zijn eenvoudig te begrijpen. Het geld vloeit naar de één of de ander. Deze welvaart creëren we binnen een bepaalde tijd. Dat noemen we de productiviteit. Als die productiviteit stijgt, genereren we evenveel wel­vaart op een kortere tijd. We kunnen dan even lang of langer werken voor meer winst of loon. Of, we kunnen de tijd die we gewonnen hebben via de productiviteitsstijging minder gaan werken voor evenveel winst of loon.

Als we nu uitgaan van een loonbehoud dan zou, op basis van een simulatie van denktank Poliargus, bij een productiviteitsstijging van 1,25 % per jaar een 30-urenweek in ons land mogelijk zijn binnen een termijn van 18,5 jaar. Een 35-urenweek zou dan al mogelijk zijn binnen 6,5 jaar. Het is dus belangrijk deze maatregel te zien als iets voor de lange of middellange termijn.

In tegenstelling tot wat sommigen ons willen doen geloven, kan het dus wel degelijk anders. Wie zich verschuilt achter financiële noodzaak, verhult het volledige plaatje inzake werk en economie. Steeds vaker kunnen en durven mensen hun werk bekijken vanuit een gevoel van eigen­waarde en stellen ze de overdreven lasten ervan in vraag. Is dat niet iets waar we als samenleving op moeten inzetten om echt over welvaart voor iedereen te kunnen spreken?


Auteur: Bart Scholiers