Populisme in het huidige milieudebat

 

Of hoe de neoliberale technocraten de klimaatverandering gebruiken om onze steden groen, rijk, conservatief en blank te maken

Weet u nog hoe simpel de wereld was in de lagere school? Je was voor Anderlecht of voor Club, voor of tegen het milieu, voor Pearl Jam of voor Nirvana, voor de zomer of voor De Winter, ... Professor Erik Swyngedouw stelt dat ons milieudebat vandaag op datzelfde intellectuele niveau gevoerd wordt. En u, bent ú voor of tegen de natuur?

Erik Swyngedouw, vandaag professor geografie aan de universiteit van Manchester na ongeveer 20 jaar in Oxford en meester in politiek-economische analyses van het hedendaags kapitalisme, interesseert zich hoe langer hoe meer voor ecologie en de veranderingen in de natuur. Hij stelt dat het onmogelijk is om één, ondeelbare natuur te concipiëren waar we voor of tegen zijn. Er bestaat daarentegen volgens Swyngedouw een waaier aan mogelijke naturen, waaruit we moeten kiezen.

Wat betekent dan nog duurzaam omspringen met de natuur? Is het gericht op een terugkeer naar een vroegere situatie of is het een evolutie naar een (ver)beter(d)e natuur? Vanuit die onduidelijkheid rond natuur en duurzaamheid, trekt Swyngedouw een parallel tussen de hedendaagse milieuhype en populisme. Hij wil daar niet mee choqueren, maar stelt dat de hype onze aandacht afleidt van de oorzaak van de milieuproblematiek: de manier waarop we leven, produceren en consumeren.

Kunstige natuur
De grenzen tussen het natuurlijke en het kunstmatige, tussen het ecologische en het technologische vervagen. Vooral de medische wereld biedt met technologische innovaties steeds meer oplossingen aan gehandicapten en zieken. De enorme toename van de levensverwachting de laatste 100 jaar is misschien nog het beste voorbeeld.

In 2005 is men er in Maryland in geslaagd om kunststof de smaak en voedingswaarde van vlees te geven. MacDonalds was hen uiteraard al voor geweest met het omgekeerde procedé. Theoretisch gezien kan men honger uit de wereld bannen, zonder ook maar één diertje af te maken. Technologie zou dus eigenlijk sociaalecologische problemen kunnen oplossen. Andere voorbeelden zijn legio: NASA ontwikkelde een procedé om afvalwater volledig te recycleren, stamcelonderzoek zorgt voor een oneindige voorraad donororganen. We hoeven ons niet meer de vraag te stellen of iets mogelijk is, maar of het nog wel ethisch verantwoord is.

Konijnen en HIV
De natuur heeft op zich ook twee gezichten: er is de ideale, brave, mooie natuur met vlindertjes, konijntjes in het veld en klaterende beekjes, maar daarnaast erkent iedereen dat het HIV-virus, de vogelgriep, tsunami's, bosbranden en orkanen ook deel uit maken van de natuur op aarde.

De natuur heeft diverse eigenschappen en die zijn sinds het begin der tijden gebruikt door alle op aarde levende organismen om te overleven. Een landbouwer bijvoorbeeld, onderhoudt zijn veld door het onkruid te vernietigen terwijl hij andere gewassen zo snel mogelijk en zo goed mogelijk wil laten groeien. Hij vernietigt één deel om een ander de kans te geven te groeien. Zo probeert de mens een eigen leefruimte te creëren door het teveel aan concurrentie te vernietigen.

Hoe kunnen we dan ‘de' natuur beschermen? Wij als groenen veroordelen de landbouwers omdat ze het onkruid en de biodiversiteit op hun grond vernietigen. De landbouwer daarentegen ziet zichzelf als voorvechter van de natuur. Hij vindt dat hij het dichtst bij haar staat, want hij bewerkt de natuur en leeft van haar.

Natuur en natuurbeheer zijn dus afhankelijk van hoe we naar onze ruimte kijken. De boer die de ruimte rond zich als grotendeels groen ervaart, maakt zich geen zorgen over bomen of mest, behalve bij het ontwateren of pimpen van zijn grond. Wij, verstedelijkte groenen, zien groene ruimte als een zeldzaam en zeer kostbaar goed. Ons westers beeld dat er maar één mogelijke natuur bestaat, doet ons blindstaren op het behoud van die ene natuur. Maar een consensus over hoe die ene natuur eruit ziet, is er niet.

We koesteren allemaal de illusie dat de juiste mate van interactie tussen mens en natuur dé garantie vormt voor een welvarende en probleemloze toekomst. In elke harmonieuze toekomst zullen natuurrampen, hongersnoden, overbevolking, of de uitputting van grondstoffen echter steeds potentiële gevaren blijven. Daarom zegt Swyngedouw dat ons geïdealiseerd beeld van natuur onrealistisch is, symbolisch geladen en radicaal verwijderd van de echte naturen die complex, onvoorspelbaar, riskant en chaotisch zijn.

Als we afstappen van het idee van één natuur, wat blijft er dan nog over van het concept van duurzaamheid? Sinds het begrip duurzaamheid voor het eerst in het Brundtlandrapport van 1987 ter sprake kwam, heeft het een steile opmars gemaakt. De waaier van duurzame streefdoelen is eindeloos: duurzaam milieu, duurzame waterwinning, duurzame ontwikkeling, duurzame economie, duurzame groei, duurzame markten... Zelfs duurzame armoede.

Believers en non-believers
Wat betekent het vandaag nog, als zowel Greenpeace als de Wereldbank bezorgd zijn over de sociaalecologische toekomst? Voor de ene is duurzaamheid gericht op het behoud of de terugkeer naar tijden van weleer waarin mens en natuur zogenaamd in harmonie leefden. Voor de andere moet technologische vernieuwing een continue vooruitgang van onze moderne way of life verzekeren.

Swyngedouw ontwaart een gemeenschappelijke basis: het dringend en ingrijpend karakter van de veranderingen nodig om onze planeet te redden. Vooral het streven naar een duurzaam klimaat is hot. Wetenschappers en politici verspreiden apocalyptische berichten over de clear and present danger van de klimaatverandering. Ze schetsen een cluster aan rampen die over ons neer zullen dalen indien we niet onmiddellijk en doortastend handelen. De roep naar subsidies en mobilisatie van de massa brengt ecologie in het publieke domein van de politiek.

Swyngedouw ziet daar geen graten in, maar maakt zich wel zorgen over wat hij noemt "het discussieloos overnemen van één bepaalde, perfect verpakte, berekende en gemodelleerde natuur". In het kader van die ene natuur vindt het debat rond klimaatverandering plaats. Quasi religieus, gewapend met data en wetenschappelijke modellen, wordt de wereld exclusief opgedeeld in believers en non-believers.

Postpolitiek
Het milieudebat past perfect in het postmoderne politieke bestel. Toen het communisme als externe dreiging wegviel, verschoof de aandacht naar het eigen systeem. De politiek stelde de welvaartsstaat in vraag en langzaamaan werden ook de economische verhoudingen in de wereld in vraag gesteld. Sinds 2004 is de klimaatverandering een dankbaar alternatief dat de aandacht weer op een externe vijand kan richten.

Het feit dat Bush het Kyoto-protocol niet wilde ratificeren, leidde ertoe dat hij internationaal het imago kreeg van een radicale conservatief. Tegenwoordig hebben ook hij en andere conservatieven een knieval gedaan omdat er schijnbaar geen alternatief bestaat. Swyngedouw vindt de verlangde ecologische toekomst onbenoemd. Deze heeft volgens hem geen proces en is enkel een bepaalde staat of conditie. Het is de maatschappij versus de totale vernietiging.


CO2: vijand nummer 1
In concreto symboliseert CO2 deze vernietiging. De sluimerende klimaatverandering wordt verengd tot een te grote concentratie van CO2 in de atmosfeer. De enge, simpele oplossing ligt dan ook in het terugschroeven van de CO2-uitstoot.

En net op dit punt begint het milieudebat populistische vormen aan te nemen. Men heeft het over de belangen van het volk, het milieu en zelfs de mensheid in zijn geheel. Fysisch en psychisch is het een dreiging die iedereen beïnvloedt. Iedereen heeft met andere woorden belang bij het verslaan van deze vijand.

Naar analogie met "de kiezer heeft altijd gelijk" wordt nu aangenomen dat het enige goede beleid er één is gebaseerd op een politiek van "het volk heeft gelijk". Meteen wordt ook opgeroepen tot een directere participatie van het volk aan het politieke leven, getuige de huisvrouwen die naar internationale klimaatsconferenties gestuurd worden. Populisten gebruiken een gemakkelijk excuus om de macht opnieuw te centraliseren: het doembeeld van een algemene vernietiging indien niet nu en onmiddellijk gehandeld wordt.

Swyngedouw waarschuwt voor het externaliseren van het vraagstuk over de klimaatverandering. De problematiek draait immers niet alleen rond de CO2-demoon. De klimaatverandering is een gevolg van een bepaalde levensstijl en de fixatie op CO2 leidt er enkel toe dat bepaalde kritische vragen over hoe we anders gaan leven naar het achterplan worden verschoven. Dat kernenergie door sommigen dan als verrezen Messias aanzien wordt is volgens Swyngedouw dus niet meer dan een logische liberale redenering.

Swyngedouw gaat zelfs verder: hoe authentiek de bedoeling van de groene beweging ook was, de overname ervan door de bedrijfswereld is gericht op de afbraak van de politieke sfeer. De onmacht van staten om echt doortastend te handelen op vraag van de bevolking breekt haar positie verder af ten voordele van de technocratische neoliberale utopie van een minimalistische staat. Klimaatverandering is een middel geworden om een neoliberale leefwereld te scheppen met groene, rijke, conservatieve en blanke steden.

------

Aanpassen of oprotten

Het is niet de milieuverandering op zich die een probleem vormt, maar de mogelijkheid of voor vele mensen de onmogelijkheid om zich aan te passen aan de veranderingen. De natuur moet niet gered worden of vraagt er niet om in naam van zichzelf of in naam van de mensheid gered te worden.

Jan Modaal ziet geen probleem in de klimaatverandering, integendeel: "Dan wordt het tenminste wat warmer en hebben we misschien eens een goeie zomer!". Jan haalt hier een belangrijk punt aan: klimaatverandering is slechts een probleem voor degene voor wie de leefomgeving echt verslechtert en die niet de mogelijkheid heeft om zich aan die nieuwe situatie aan te passen. De geschatte 14.000 hittedoden in de zomer van 2004 waren geen goden in Frankrijk, maar arme, verzwakte gepensioneerden zonder toegang tot zorg of koele rusthuizen. En dat terwijl de toeristische industrie bloeide als nooit tevoren.

Ecologisten schreeuwen: "De wereld is in gevaar en we moeten nú handelen." 2004 was daarin een zeer bepalend jaar: zowel de tsunami in Zuid-Oost Azië als orkaan Katrina brachten de ecologische problemen binnenin de huiskamer. Katrina was bijzonder woest tekeer gegaan, maar veel erger was de maatschappelijke ramp die zich nadien in de straten van New Orleans voltrok en nagenoeg uitsluitend verarmde Afro-Amerikanen trof. De plunderingen die volgden op de onmondigheid van de Amerikaanse regering en de uitzichtloze situatie toonden een verwilderde massa die als crimineel werd gestigmatiseerd.

Het is het meest perverse voorbeeld van hoe een humanitaire bezorgdheid omslaat in raciaal getinte afkeer tegen de armsten in de maatschappij. De stad werd de natte droom van projectontwikkelaars. Een New Orleans dat heropgebouwd zou worden in het utopisch beeld van een duurzame kapitalistische modelstad: groen, rijk, conservatief, blank en neo-liberaal.

------